'Thee drinken, brijen en leesen'

M.L. Barend-van Haeften: Op reis met de VOC. De openhartige dagboeken van de zusters Lammens en Swellengrebel. Walburg Pers (Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, deel XCV), 179 blz., ƒ 49,50

Een jong meisje zat op 20 mei 1736 in haar scheepskajuit te schrijven in haar dagboek. Omdat het schip ter hoogte van de evenaar zeilde, waren de waskaarsen die op tafel stonden door de hitte gebogen en gesmolten. De schrijfster ging gekleed in een dikke japon en verzuchtte in haar reisjournaal dat ze wel 'een pint in een etmaal' zweette.

Haar dagboek is nu gepubliceerd. De uitgave is verzorgd door de Linschoten-Vereeniging, die zich sinds het begin van deze eeuw ten doel stelt historisch belangrijke reisverslagen in druk te laten verschijnen. Bijna elk jaar komt er één uit. De nieuwste aanwinst betreft de reisdagboeken van de zusters Lammens, in 1736 op de heenreis van Nederland naar Indië, en van de zusters Swellengrebel, wier terugreis in 1751 van Kaap de Goede Hoop naar Holland voerde. Pas kort geleden werd het manuscript van de zusters Lammens gevonden in het archief van de familie. Van de zusjes Swellegrebel zijn al eerder fragmenten gepubliceerd.

Beide zusterparen reizen op een schip van de Verenigde Oostindische Compagnie. Dat is bijzonder, want de Compagnie was niet erg genegen passagiers mee te nemen. Zeker niet als dat vrouwen waren. Compagniedienaren die in Insulinde moesten blijven, werden aangemoedigd een inlandse te trouwen. Die wilde door haar familiebanden niet naar Nederland, zodat haar man lang in Indië voor de VOC bleef werken, ze zette hem niet aan tot corruptie, en baarde gezonde kinderen met een goede weerstand tegen tropische ziekten. Europese vrouwen die naar Indië kwamen, konden niet bogen op zo'n staat van dienst. Volgens VOC-ambtenaren waren dat meestal inhalige snollen. Daarom mochten van de Compagnie sinds het midden van de zeventiende eeuw geen Nederlandse vrouwen meer naar Indië. Ook na het failliet van de VOC trokken weinig meisjes naar de Oost. Daar kwam pas verandering in toen in 1870 de kolonie werd opengesteld voor particulieren.

De gezusters Lammens en Swellengrebel kregen permissie mee te varen omdat ze een mannelijk familielid vergezelden. Maria en Johanna Lammens, 27 en 23 jaar oud, reisden samen met hun broer Pieter die in Batavia Raad van Justitie zou worden. Helena Johanna Swellengrebel en haar zuster Johanna Engela, 21 en 18 jaar, gingen naar naar het vaderland met hun vader, scheidend gouverneur van Kaap de Goede Hoop. In hun dagboeken hebben de zusters nauwkeurig geboekstaafd hoe zij hun dagen doorbrachten. Als passagiers 'achter de mast', gescheiden van de matrozen, leidden zij een geprivilegieerd leven. Beide journalen bieden daardoor een perspectief op de manier waarop vermogende reizigers de reis beleefden. Dat vult een lacune in de kennis over reizen met de VOC. Er is slechts één ander document bekend van een passagiere, die in brieven haar thuisreis uit Batavia beschrijft. Dat geringe aantal bronnen wordt niet alleen verklaard doordat vrouwen weinig reisden, zij namen ook minder deel aan de schriftelijke cultuur. Op reis met de VOC is een bijzonder boek door de persoonlijke details over het dagelijks leven in de kajuit. Een zorgvuldige inleiding biedt een historische context die het beeld aanvult dat de zusterparen schetsen. Niet alleen de geschiedkundige waarde van de dagboeken komt erin aan de orde, ook wordt het reilen en zeilen op een VOC-schip uitvoerig verklaard en is de levensloop van de zussen getraceerd. Bovendien zijn de teksten uitvoerig geannoteerd, zodat het zeventiende-eeuwse Nederlands makkelijk te volgen is.

Beide zusterparen klagen over de duur van de overtocht. De dames Lammens zijn een half jaar onderweg, de Swellengrebels verkeren ruim drie maanden op zee. Het weer is een constante bron van zorg. Aanvankelijk wat zeeziek, 'hieuwen (wij) ons stil in het bet uijt vreese de crabben weer ontbijt te verschaffen', maar al gauw volgen de passagiers een vaste dagindeling. De verveling slaat toe; een mogelijkheid daaraan te ontsnappen biedt de middagmaaltijd. Vooral de zusjes Swellengrebel raken geobsedeerd door eten, minutieus houden zij bij wat er op tafel komt: 'karrij, eenden gekookt, met een ijersous, schaapenbout gesmoort, cottoletten, kruijsbessen, en pruijmen gestooft, sala boonen'.

De maaltijden van de zusters Lammens zijn minder copieus, maar zij hebben ook een lagere sociale status. Als goede Zeeuwse calvinisten zorgen ze ervoor de hele dag iets om handen te hebben. De dames Swellengrebel echter worden aan boord verzorgd door hun slavin, maar op een dag wordt die zeeziek, 'zoo dat wij zelfs meijd moeste weezen, dat ons wat ongewoon voor kwam'. In hun dagboek noteren zij slechts hun dagelijkse activiteiten. Het journaal geeft een uitstekend beeld van de dagindeling van dames van stand aan boord van een schip. Erg spannend ziet die er niet uit: 'thee drinken, brijen en leesen'. Het is minder interessant dan dat van de zusjes Lammens, die veel anekdotische details vermelden, zoals het scheepsgebruik de tijd te meten in 'glazen' (van een zandloper) in plaats van in uren. Wanneer onderweg dieren te zien zijn, biedt dat enige afleiding. De fauna wordt meteen op haar culinaire waarde geschat. Vliegende vissen 'sijn op de wijs als een haring met twee uijtsteekende vimmen ... wil wel bekennen soo admirabel van smaak ..., dat het ons niet sou spijten, al wilden er een vijf en twintig in ons schip komen vliegen.'

Met de bemanning hebben de passagiers nauwelijks contact. Zij leven ook gescheiden, de reizigers samen met de officieren op het hoge achterdek, de matrozen 'voor de mast'. De omstandigheden waaronder die moeten leven zijn benard, zeker in vergelijking met de overdaad die de passagiers genieten. Alleen de zussen Lammens besteden wel eens aandacht aan deze grote groep boordgenoten, meestal om te vermelden dat er één van hen is overleden. De enige keer dat ze over de manschappen uitweiden, is als ze zich verbazen over het geval van een matroos die op het dek poept, vervolgens de dienstdoende officier van de wacht aanvalt, overboord springt, en vloekend in de golven verdwijnt.

Alhoewel beide zusterparen de niet ongevaarlijke reis tot een goed einde brengen, gaan zij geen rooskleurig leven tegemoet. Helena Swellengrebel trouwt in Nederland, maar sterft in 1753. Johanna overleeft haar zuster ruimschoots maar blijft vrijgezel. De dames Lammens blijken in de Oost begeerde huwelijkskandidaten, eindelijk krijgen de heren in Batavia weer een kans zich te verbinden met een blanke, Nederlandse vrouw. Hun levensloop is exemplarisch voor veel 'baren en barinnen', zoals zij het in hun dagboek uitdrukken, nieuwkomers in Insulinde. Maria, de oudste zuster, sterft binnen anderhalf jaar in het kraambed bij de bevalling van haar eerste kind. Johanna overlijdt acht maanden nadat zij voet op Indische bodem heeft gezet. Ze liet geen weduwnaar achter. Tot het sluiten van een huwelijk had zij nog geen tijd gezien.