Sirene III

Het Shipwreck Museum was zo'n museumpje dat je in Australië wel vaker tegenkomt: een vergrote huiskamer, volgestouwd met hele en halve prullaria. In dit geval lagen er her en der wat oude kanonskogels op de vloer. Armoedig ingerichte vitrines bevatten stenen pijpjes en door het zeewater aangevreten muntstukken, die volgens een met de hand geschreven bijschrift van de Bounty afkomstig zouden zijn.

Aan de muur hing een krantenartikel waarin de ondergang van de Titanic werd beschreven, een gebeurtenis die zich, zoals wij weten, ver van Australië heeft afgespeeld. Op een klein televisiescherm werd een documentaire afgedraaid over een reuzenhaai, een tandeloze kolos van negen meter die zich uitsluitend voedt met plankton.

In het halfdonker schuifelden wij wat verloren door het museum. Terwijl ik bleef staan bij een manshoog anker dat ooit aan een Spaans galjoen zou hebben toebehoord, boog Alice zich verderop over een vitrine waaruit een helder licht scheen. Ik liep naar haar toe en met onze hoofden naast elkaar, wang aan wang, keken wij in de vitrine.

Daar lag, getikt op een ouderwetse schrijfmachine, een pagina uit een manuscript. Hier vertelde iemand in zijn eigen woorden het verhaal na van Palinurus, de Trojaanse bootsman op het schip van Aeneïs. Reeds, zo lazen wij, had de duisternis van de nacht haar hoogtepunt bereikt en verkeerden de roeiers, liggend onder hun riemen, in diepe rust, toen Morpheus zelf omlaag gleed uit het hemelgewelf en zich naast Palinurus neerzette op de hoge achtersteven. Palinurus, zei de god der slaap, leg uw hoofd ter ruste en laat mij uw schip besturen tot u van uw loomheid bent verlost. Maar Palinurus omklemde de helmstok van het roer en met de ogen gericht op de sterren voer hij verder over een rimpelloze zee.

Dit beviel de god der slaap in het geheel niet en met een twijg bedwelmde hij Palinurus tot een dodelijke vermoeidheid diens ogen brak. En langzaam, de leden slap langs het lichaam, viel Palinurus voorover. Van de hoge achtersteven viel hij naar beneden, willoos en zonder geluid te maken. En de kring in het water sloot zich langzaam, terwijl Morpheus heen vloog. Het was al bijna ochtend, en reeds naderden de klippen van de Sirenen, toen Aeneïs bemerkte dat de nacht hem van zijn stuurman had beroofd. “O, Palinurus”, riep hij, “is dit uw lot? Naakt aan te spoelen aan een onbekend strand?”

“Wat een eigenaardig verhaal”, zei de vrouw die morgen mijn vrouw zou worden, “waarom ligt dat hier?”

“Misschien heeft iemand het expres neergelegd”, zei ik.

“Hoe kan dat nou?”

“Misschien is het hier neergelegd door de geest van de Engelse criticus Cyril Connolly. Hij heeft er eens op gewezen dat het schip van Aeneïs niets anders is dan de metafoor voor het huwelijk. Op de huwelijksboot is Palinurus de stuurman. Hij is de man, de kostwinner, die geacht wordt het huwelijk in de juiste baan te leiden. Maar na de opwinding van de eerste tijd wordt het huwelijk saai. Het verzandt in een dagelijkse sleur en langzaam sukkelt de stuurman in slaap. Als Palinurus zit hij knikkebollend aan het roer, om pas wakker te worden als hij in het koude water is gevallen. Maar dan is het natuurlijk te laat om een scheiding te voorkomen. De ongelukkige roept nog wel. Hij wil alles beloven om de boot te laten keren, maar niemand hoort hem. Zijn vrouw hoort hem van die niemand nog het minst en geluidloos verdwijnt de boot achter de horizon. Zo wordt Palinurus de volgende dag aangetroffen op het strand, naakt met water in zijn longen.”

“Wat zielig...”

“Ik heb je toch al verteld dat het niet meevalt om een man te zijn.”

“Wist je trouwens”, zei Alice, “dat die Aeneïs een vrouw de dood heeft ingejaagd? Dido heeft zichzelf in het liefdesbed verbrand, toen ze door Aeneïs verlaten werd.”

Wij verlieten het museum en zagen aan de overkant een gebouwtje dat wij nog niet eerder hadden opgemerkt. Het leek een soort kerkje. (wordt vervolgd).