Rauwe Under the Bridge verdient een prijs

ROTTERDAM, 7 FEBR. Hoe harder je schreeuwt hoe minder je bereikt, moet de Britse regisseur Patrick Keiller gedacht hebben. In zijn filmische rondreis Robinson in Space, een van de kandidaten voor de zaterdag uit te reiken Tiger Awards, smeult het engagement onder de oppervlakte.

Keiller schetst een somber stemmend beeld van Engeland. Niet door te hameren op armoede en verval, maar door met ironische glamour de inventaris op te maken van twintig jaar economische politiek van de conservatieven. We zien havens, fabrieken, winkelcentra, elektriciteitscentrales en brain parks, maar opvallend weinig mensen. In de economie van Engeland, zo lijkt de regisseur te willen zeggen, is de menselijke factor uitgeschakeld. Het land is nog steeds een economische grootmacht, maar er zijn slechts weinigen die daarvan profiteren.

Robinson in Space, waarin twee buiten beeld blijvende personages in het voetspoor van Daniel Defoe's Tour through the Whole Island of Great Britain zeven reizen door Engeland maken, is een eigenaardige film. Keiller is zich daarvan bewust: toen hij gisteren in het Pathétheater zijn film inleidde, spoorde hij het publiek aan om zich niet te laten afschrikken door de 'intimiderende' off-screen verteller, die in de stijl van een reisverhaal doorlopend commentaar bij de beelden levert. Het is niet het enige dat Robinson in Space intrigerend maakt. Ook de kurkdroge humor - in tekst en beeld - en de tussen neus en lippen door geboekstaafde psychische teloorgang van 'Robinson', de fictieve metgezel van de verteller die op zoek is naar een niet-bestaand Engels utopia, laat je in verwarring achter en motiveert je om de film voor een tweede keer te gaan zien.

Verpakt Keiller zijn maatschappijkritiek in een postmodern aandoend reisverhaal, de Amerikaan Charles Weinstein - ook in de race voor een Tiger Award - kiest een conventioneler vorm. In zijn eerste lange speelfilm Under the Bridge vertelt hij het verhaal van een groepje door de grote stad uitgekotste figuren in een leegstaande fabriekshal ('Hell Hole') in Brooklyn. Hun betrekkelijk overzichtelijke leventje - drank en drugs scoren, roes uitslapen, eten opscharrelen - wordt verstoord door de komst van een zwart jongetje dat het weeshuis is ontvlucht. De zwijgzame kleine Eddie wordt aanvankelijk niet geaccepteerd, maar is al gauw de mascotte van het zootje ongeregeld en haalt onbewust het beste in hen naar boven. Een heroïnehoertje wordt een onbeholpen moeder voor hem, een aan lager wal geraakte straatfilosoof leert hem vissen, een paar anderen organiseren een groot feest - dat uiteindelijk tot hun ondergang leidt.

In Hollywood zou het verhaal van Eddie en zijn vrienden ongetwijfeld een sentimentele draak zijn geworden. Niet bij Weinstein; hij maakte van het rauwe Under the Bridge een zowel roerende als poëtische film, vooral door de op een talking blues lijkende vertelstem van de zwarte dakloze die Eddie voor het eerst ontmoet. Het leven in de goot wordt niet verheerlijkt, maar de personages worden geportretteerd als mensen die ondanks alles hun dromen en hun waardigheid bewaard hebben. Als er één film is die morgen een Tiger Award verdient, dan is het deze jaren-negentig versie van Midnight Cowboy.

Under the Bridge is vanavond om 19u45 te zien tijdens het Festivalweekend in Groningen.