Planbureau mikt op beperkte Maasvlakte II

ROTTERDAM, 7 FEBR. De uitbreiding van de Maasvlakte kan tot het jaar 2020 beperkt blijven tot 500 hectare. Dat concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in een studie over nieuwe vestigingsmogelijkheden in de Rotterdamse haven.

Het planbureau is met zijn prognose aanzienlijk bescheidener dan de Projectorganisatie Maasvlakte 2. Deze organisatie, waarin het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam en Rijkswaterstaat Zuid-Holland deelnemen, voorziet tot 2035 behoefte aan 2.000 hectare extra terrein als 'strategische oplossing voor het ruimteprobleem in de Mainport Rotterdam'.

Aanleg van zo'n tweede Maasvlakte, in aansluiting op de bestaande Maasvlakte, zou 5 tot 12 miljard gulden kosten, afhankelijk van de vorm die ervoor wordt gekozen. De optie die het CPB vervat in zijn vandaag verschenen studie 'Economische en ruimtelijke versterking van de Mainport Rotterdam' kost 1,3 miljard gulden.

Het CPB acht de toegevoegde waarde en het werkgelegenheidseffect van de extra activiteiten (chemie en, later, containeroverslag en distributie) van Maasvlakte II tot 2020 'bescheiden'. In het gunstigste geval is, voor Nederland als geheel, sprake van een toegevoegde waarde van 1,52 miljard gulden en 670 arbeidsplaatsen. Volgens een ander scenario - waarin minder hoogwaardige technologie wordt toegepast - bedraagt de toegevoegde waarde 960 miljoen en komen er 1.180 banen bij. De Rotterdamse regio wint tussen 580 en 1.570 arbeidsplaatsen.

De belangrijkste economische effecten doen zich voor bij de chemie. Rotterdam hoopt op vestiging van een etheenkraker met verwante activitreiten. Naar verwachting zullen de komende jaren vijf of zes van die etheenfabrieken in Europa worden gebouwd.

Opmerkelijk in de CPB-studie is de conclusie dat de Rotterdamse haven de groei van het containervervoer 'tot bijna 2020' vrij eenvoudig kan opvangen. De 200 hectare in de haven die al in optie zijn uitgegeven en de 130 hectare terrein op de noodwesthoek van de huidige Maasvlakte, die voor aanvoer van containers kunnen worden bestemd, zijn voldoende. “Ruimtetekorten bij de containersector liggen nog decennia weg”, aldus het CPB. Daarom kan ook met 'droge' uitbreiding (zonder diepzeehavens) van de Maasvlakte worden volstaan.

Voor de distributiesector (overslag van containers) moet 50 tot 100 hectare op de Maasvlakte II worden gereserveerd om knelpunten op te vangen. De uitbreiding is eigenlijk vooral nodig voor de beoogde etheenfabriek en het cluster eromheen (100 tot 150 hectare). In deze opzet blijft er 250 tot 350 hectare over als strategische reserve voor het Gemeentelijke Havenbedrijf Rotterdam (GHR). Dan kunnen volgens het planbureau industrieën aan diep vaarwater, die daaraan niet gebonden zijn, worden verplaatst naar de nieuwe 'droge' Maasvlakte.

Het CPB is in zijn studie uitgegaan van drie economische-groeiscenario's in Nederland: 3,25, 2,75 en 1,25 procent per jaar. De Rotterdamse haven zal volgens eerdere studies de komende jaren een sterke concurrentiepositie hebben in de sectoren containers, chemie en bulkoverslag, een wat minder sterke bij distributie en een relatief zwakke bij overige industrieën.

Voor de kernsectoren chemie, containers en distributie worden, afhankelijk van het scenario, groeicijfers tussen 2,5 procent en ruim 5 procent op jaarbasis verwacht.

Dat betekent groei van het containervervoer van de huidige drie miljoen tot zes of elf miljoen containers in 2020, alsmede verdubbeling of verdrievoudiging van het distributieaanbod. In de chemie komen er minimaal tien tot vijftien bij of, in het gunstigste scenario, 25 tot 30 - wat overeenkomt met één fabriek per jaar.

De gevolgen voor het ruimtebeslag van de drie kernsectoren lopen in de verschillende groeimodellen uiteen. In het geval van lage economische groei kan de verwachte vraag gemakkelijk worden opgevangen. In het scenario met 3,25 procent groei is 1.570 hectare nodig. Hiervan kan echter 960 hectare in het huidige areaal worden gevonden. In het gunstigste geval zal dus maximaal 610 hectare extra nodig zijn.

Uitbreiding met 500 hectare sluit volgens het planbureau goed aan bij de ruimtelijke knelpunten die in het gunstigste groeiscenario optreden. Een belangrijk voordeel van deze oplossing is dat 'zo lang mogelijk kan worden geprofiteerd' van bestaande faciliteiten op de huidige Maasvlakte.

Het CPB heeft in zijn studie 2020 als horizon gekozen om 'flexibiliteit te behouden en niet meer vast te willen leggen dan noodzakelijk is'.

Ook de timing van grote investeringen is van groot belang: “Wanneer een investeringssom van vier tot zes miljard twintig jaar in de tijd kan worden opgeschoven, dan resulteert dit in een kostenbesparing ter grootte van twee tot drie miljard.” Het nemen van beslissingen voor de periode na 2020 kan volgens het CPB beter over vijftien jaar geschieden, “waarbij we dan ook gewapend zijn met de kennis van de feitelijke ontwikkelingen tot 2010 of 2015.”

Bij de besluitvorming over de aanleg van Maasvlakte II moet volgens de CPB-studie rekening worden gehouden met ontwikkelingen die na 2020 doorlopen. Keuze voor een Maasvlakte II die de planologische contouren van het havengebied nu min of meer vastlegt, leidt tot verlies aan flexibiliteit.

Het CPB plaatst kanttekeningen bij de mogelijkheid van uitstel van de beslissing over de aanleg van Maasvlakte II in combinatie met 'inbreiden', het benutten van terreinen die nu door bijvoorbeeld olie-raffinaderijen in reserve worden gehouden. Dit kan leiden tot het missen van kansen bij de chemie en het accepteren van afnemende flexibiliteit bij het havenbedrijf, aldus het CPB.