Passages uit vonnis Hakkelaar-proces

Cruciaal bij het oordeel van de rechtbank was de vraag of de afspraken die Justitie met twee verdachten heeft gemaakt, dienen te worden aangemerkt als een kroongetuigeregeling dan wel als een deal met de criminelen. Het gebruik van kroongetuigen verwerpt de rechtbank maar het sluiten van deals met verdachten, zoals in deze zaak is gebeurd, is toelaatbaar.

Hieronder volgt een aantal letterlijke passages uit het vonnis:

De rechtbank is van oordeel dat van een 'kroongetuige' (-) moet worden gesproken indien een verdachte, een medeverdachte daaronder begrepen, in ruil voor informatie aan politie en justitie een zo vergaande beloning wordt toegezegd dat hij de facto of de jure volledig of nagenoeg volledig van strafvervolging wordt gevrijwaard. (-) De rechtbank zal thans onderzoeken of Karman en Abbas ingevolge de met hen gesloten overeenkomsten dan wel op andere gronden zijn aan te merken als kroongetuigen, of dat zij dienen te worden gekwalificeerd als 'criminelen' met wie 'deals' zijn gesloten.

(-) Alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden overziende en afwegende kan de rechtbank niet tot een andere slotsom komen dan dat Karman niet als kroongetuige kan worden aangemerkt, maar dat de met hem gesloten overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een 'deal met een crimineel'.

(-) De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van de met Abbas gesloten overeenkomst niet op goede gronden kan worden volgehouden dat hij in feite als een kroongetuige in de specifiek-juridische betekenis zoals hierboven omschreven moet worden aangemerkt.

(-) Op grond van het voorgaande komt de rechtbank, bij afweging van alle in aanmerking komende omstandigheden, tot de slotsom dat het gewicht van de onderhavige zaken, van dien aard is dat de beslissing van het Openbaar Ministerie, de overeenkomsten met Karman en Abbas aan te gaan, gerechtvaardigd was.

(-) Onder verwijzing naar al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt zij tot het oordeel dat de rechten van de verdachten op een eerlijk proces, als (onder meer) neergelegd in artikel 6 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, red.) in die opzichten niet zijn geschonden. Van andere omstandigheden als gevolg waarvan de hier bedoelde rechten van de verdachten zouden zijn geschonden, is de rechtbank evenmin gebleken.

(-) Zij komt tot de slotsom, dat uit de door de verdediging gevoerde overige verweren op zichzelf noch in onderling verband en samenhang kan worden afgeleid dat V., R. en K. geen 'fair trial' in de zin van artikel 6 EVRM hebben gehad.