Onder een andere naam

Ergens weet de Nederlandse regering zeker dat kunst moet, maar vraag ze niet waarom want dát weten ze niet. Regeringen van elke politieke kleurcombinatie hebben sinds de Tweede Wereldoorlog stuk voor stuk een actief en geenszins goedkoop beleid gevoerd ten aanzien van de kunsten en de kunstenaars - maar gaven telkens een ander tintje aan hun verantwoording hiervoor.

De opeenvolgende alibi's voor de kunstpolitiek werden door Warna Oosterbaan in zijn boek over dit onderwerp gereduceerd tot drie trefwoorden: Schoonheid (de jaren '40 en '50), Welzijn ('60 en '70) en Kwaliteit ('80).

De manier waarop de opeenvolgende regeringen vorm gaven aan de kunstbureaucratie weerspiegelt hun onzekerheid over de inhoud van hun beleid. Het grootste departementale bureau voor de kunsten heeft sinds de oorlog zesmaal een gedaante- c.q. statusverandering ondergaan en de zevende staat voor de deur. Een beknopte geschiedenis van deze metamorfoses (waarvoor dank aan Fransje Kuyvenhoven) lijkt misschien droge kost, maarvoor de kenner van het bestuurlijke kunstapparaat is het een sappig kluifje.

In 1965 verhuisde de organisatie die sinds 1949 bekend stond als de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen (DRVK) van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen naar het nieuw gecreëerde departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. In 1975, ter gelegenheid van een periodieke bezinning over deze dienst, werd de naam veranderd in Dienst Verspreide Rijkscollecties, en in 1982 kwam die terecht bij een ministerie dat de naam kreeg van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. In 1985 werd de DVR samengevoegd met twee andere lichamen, het Bureau Beeldende Kunst Buitenland en de Nederlandse Kunst Stichting. Samen gingen ze Rijksdienst Beeldende Kunst heten. In een grote reorganisatie in 1993 werd de taak van de RBK geherdefinieerd terwijl enkele belangrijke functies werden geamputeerd. Zo moest de afdeling Presentatie, die een eigen tentoonstellingsprogramma had, wijken voor de afdeling Beheer. 1996 zag de verplaatsing van de dienst naar het vierde ministerie sinds de oorlog: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Na deze snoei-operatie en de niet erg overtuigende bewering in 1993 dat men nu zijn eigen kern-activiteit had geïdentificeerd, gaat het bureau opnieuw een fase van uitbreiding in. Vanaf 1 april van dit jaar zal het samengaan met het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap en de Opleiding Restauratoren. Ook zal het dan niet meer in Den Haag gevestigd zijn, maar in Amsterdam. Het spreekt vanzelf dat daar ook weer een naamsverandering bijhoort: Instituut Collectie Nederland, een naam die zowel modieus als misleidend is en die het volgens mij niet zo lang zal uithouden als DRVK (16 jaar), DVR (10 jaar) of RBK (12 jaar).

Mocht Oosterbaan zijn boek up-to-date willen brengen, dan heeft zijn titel een vierde trefwoord nodig ter dekking van de ontwikkelingen in de jaren'90. Na Schoonheid, Welzijn en Kwaliteit lijkt Beheer het nieuwe ministeriële motto: een ietwat defensief begrip, schijnbaar zonder bijbedoelingen.

Door deze nieuwe fase wordt een beweging die al vijftig jaar aan de gang is, plotseling zichtbaar: het draagvlak voor de Nederlandse kunstpolitiek is constant aan het krimpen. Schoonheid is iets voor iedereen en altijd, toegankelijk voor de gehele mensheid. Kunst als de manifestatie van welzijn is alleen beschikbaar voor de minderheid die gebruik wil maken van wat de cultuur te bieden heeft. De regering wilde die groep wel laten groeien door buitenstaanders binnen de kring te halen en deelname aan culturele activiteiten te stimuleren, maar dat is nooit zo erg gelukt. Dat de participatielust beperkt was, werd in de jaren tachtig stilzwijgend erkend en men liet toen dit wervende beleid min of meer vallen. Kwaliteit, daar ging het om, en topkwaliteit was per definitie het domein van een elite - de beste kunstenaars die werk maakten voor het exclusieve publiek dat dit wist te waarderen.

Met het Instituut Collectie Nederland zullen vanaf 1 april de bemoeienissen met de kunsten van regeringswege nog verder aan reikwijdte inboeten. Men zal zich voortaan concentreren op artistieke kwesties die alleen voor specialisten en vakgenoten van belang zijn: opslag, conservering, wetenschappelijk onderzoek en restauratie van kunstvoorwerpen. Vanaf dat moment zal de mensheid, de maatschappij en de kunstwereld in het algemeen voor zichzelf moeten opkomen want de blik van de Nederlandse kunstambtenaren wordt dan naar binnen gericht, naar hun eigen paar duizend objecten, hun inventariskaartjes en hun computerschermen.

Wat is de volgende stap? Trekt men zich terug op een nog smallere basis, dan ligt totale verdwijning in het verschiet. Of wordt de trend toch omgebogen? De eerste directeur die het ICN krijgt is noch een defaitist noch de geijkte specialist. Rik Vos is een man van de collegezaal en het museum, met een oog voor het vakgebied als geheel en de plaats ervan in de samenleving. Zijn afwegingen worden door normalere menselijke maatstaven bepaald dan door die van de beheerder of de superspecialist. Hij heeft een voorkeur voor intermenselijke en interdisciplinaire samenwerking, hij moet een beetje lachen om de pretenties en de weerspannigheden van zijn vakgenoten en laat dat ook merken, en hij doet dit - o zeldzaamheid - met een gezond gevoel voor humor. Zal de onverzettelijke krimp van de afgelopen vijftig jaar hem ook klein krijgen of bezit hij voldoende veerkracht om voor de volgende halve eeuw een nieuwe, ruimere basis te scheppen? In 2000 zullen we het misschien weten.