Omdat de liefde stom is, bestaat ze

A.L. Kennedy: Original Bliss. Jonathan Cape, 310 blz. ƒ 40,50

In Groucho's Moustache, een van de verhalen in de nieuwe bundel Original Bliss van de Schotse schrijfster A.L. Kennedy, komt een gedrongen, kort mannetje - 'je kent het soort postuur, alsof hij ooit van een hoog gebouw gevallen is' - een sportclub vol glanzend atlethische mannenlichamen binnenlopen. Meteen begint bij de vertelster een alarmbel te rinkelen. Uit alle macht mijdt ze hem. 'Wat hij ook deed, ik zorgde dat ik het tegenovergestelde deed.' Tot hij haar op een avond in een hoekje dringt met de vraag waarom ze hem ontloopt. En daar begeeft haar wilskracht het. 'Ik vind je erg aantrekkelijk,' geeft ze toe. 'Maar ik heb een suïcidaal slechte smaak.'

Ze kent haar eigen zwakheid. 'Of ik nou oversteek op straat, in de rij ga staan in de supermarkt, of binnenkom op een feestje: binnen een paar seconden voel ik een zuigkracht, een soort onzichtbare geestelijke lasso. Die kracht tilt me op als een maalstroom. Als hij me loslaat sta ik recht voor de meest ongeschikte kandidaat voor intiem contact.' Ze kan het niet helpen. 'Rationeel weet ik dat ik over koetjes en kalfjes sta te kletsen met een praktizerend necrofiele bigamist, of beleefdheden uit sta te wisselen met een man die veel te recentelijk is vrijgelaten uit een met rubber beklede omgeving, maar ik ben machteloos in de greep van mijn eigen aard. Mijn nieuwe kennis knippert met zijn kleine rode oogjes terwijl hij het ranzige babybloed van zijn kaken veegt en klampt mijn handen in zijn harige knuisten, blij dat we al zo'n lekker stel vormen.'

Die maalstroom tussen de seksen, de aantrekkingskracht die de ratio uitschakelt en ons verandert in hulpeloos om elkaar heen cirkelende projectielen, is, net als in Kennedy's eerdere boeken Now That You're Here (1994) en So I Am Glad (1995), het onderwerp van de meeste verhalen.

Het probleem van deze vertelster intussen, weet ze, is dat ze onbeschrijflijk naïef is. Het korte mannetje blijkt inderdaad een sluwe ploert, zodat ze binnen korte tijd tegenover elkaar in zijn woonkamer staan. 'Ik ben een gevoelige man, zoals ik zal laten zien' zegt hij, terwijl hij zijn kleren afwerpt. 'Een naakte man is cultureel gezien erg kwetsbaar. Hier ben ik. Kwetsbaar.' Er rest haar niets dan, om hem gerust te stellen, zich ook maar uit te kleden.

Niet alle personages hebben een even rampzalige neus voor partners als zij, maar in de greep van de liefde zijn ze bijna allemaal even onbeholpen. Verliefdheid, zo laat Kennedy zien, reduceert de geavanceerde technologie van het brein tot een bakelieten switchboard met maar één functie: malen over het object van de hartstocht. Far Gone heeft de koortsachtige toon van die toestand. Een man leest in het vliegtuig, op weg om zijn geliefde Bonnie met een bezoek te verassen, nogmaals haar brieven. 'Henry en ik zijn zo gelukkig als we maar kunnen zijn.' Zo gelukkig als we maar kunnen zijn. Zie je wel, denkt hij, een regelrechte hulpkreet.

De schrijfster speelt met de literaire conventie van de onbetrouwbare verteller: het proces waarbij je er langzaam achter komt dat de verteller de werkelijkheid niet altijd even helder ziet. Het geestige is dat ze het trucje omdraait: haar personages zijn zo vasthoudend in hun monomane gemaal dat je je af gaat vragen of hun gestoorde gedachten niet toch gewoon de werkelijkheid zijn. Je glipt zelf bijna mee in de draaikolk van hun obsessies, het parallelle universum in waar Bonnie misschien echt wel van Henry verlost wil worden. Hoe gek zijn haar Romeo's nu eigenlijk?

Naast tien vlotte, aangenaam hink-stap-sprong vertelde verhalen bevat de bundel een novelle. Die valt niet alleen uit de toon door de lengte, maar ook door de sfeer. Terwijl de verhalen droog grijnzen om de liefde met al haar verwarring en mislukkingen, is de novelle veel zwaarder. De eenzame mevrouw Brindle brengt haar dagen en nachten languit op het tapijt in de woonkamer door, verlamd door een acute doodsangst. Na een extatische periode is ze haar geloof kwijtgeraakt. Ze vraagt een briljante professor om hulp.

Die hulp is niet helemaal onbaatzuchtig. De professor blijkt er een nogal pittige pornografische verslaving op na te houden, en dringt haar langzaam in de rol van zijn object. Zijn manipulaties gaan steeds verder. Maar mevrouw Brindle, Helen inmiddels, verzet zich niet. Net als voor de vertelster uit Groucho's Moustache is geen handeling haar te doorzichtig, geen smoes te slap. Ze bevindt zich in de maalstroom van de liefde.

Het is Kennedy grotere ernst met de liefde dan ze in haar luchthartige, upbeat,verhalen verraadt. In de novelle zijn de personages geen stripfiguren meer, zoals in het korte verhaal, en nu wordt duidelijk wat ze wil zeggen. Als vrouwen zich willoos uitleveren aan mannen met al hun dubieuze praktijken, is dat niet uit een redeloze naïviteit, maar omdat ze zonder hen het vertrouwen in het leven verliezen. Ze wíllen in hen geloven. En mannen manipuleren vrouwen niet alleen naar hun duistere fantasieën omdat ze ploerten zijn, maar omdat ze hen zo de liefde in lokken. Ze wíllen hen beminnen.

Dat het allemaal zelden uitloopt op iets moois verandert niets aan de overgave waarmee de personages zich telkens weer in de waanzin van de liefde storten. En in die domme vasthoudendheid gloort toch een soort hoop. In een interview in de Literary Review werd de schrijfster een closet optimist genoemd. En gevraagd of ze gelooft in de romantische liefde, zei ze: 'Iets dat zo stom en ongemakkelijk en pijnlijk is, kan onmogelijk niet bestaan.'