Nog meer Europese integratie is alleen maar verspilling van energie

Streven naar verdere Europese integratie is weliswaar respectabel, maar niettemin onwenselijk. Malcolm Rifkind is van oordeel dat het niet logisch is om in een tijd waarin overheden steeds verder terugtreden juist de macht van de Europese Unie verder uit te breiden.

Dit is het moment voor een betere en bredere publieke discussie over de toekomst van Europa. Daarom zal ik de komende weken in een reeks lezingen het Britse standpunt naar voren brengen. De eerste heb ik eerder deze week in Stockholm gehouden.

De Britse benadering stoelt op het denkbeeld van evenwicht. Evenwicht tussen de nationale staat en de Europese Unie. Evenwicht tussen integratie en intergouvernementeel optreden. Evenwicht tussen optreden op Europees niveau en besluiten die beter aan de afzonderlijke staten kunnen worden overgelaten. Dat is het subsidiariteitsbeginsel, dat volgens ons een belangrijker plaats moet krijgen in het verdrag. Wij menen ook dat de EU, wanneer het nodig is dat zij optreedt of wetten uitvaardigt, een evenwicht moet zoeken tussen enerzijds de eisen van de onderhavige kwestie en anderzijds de realiteit van de publieke opinie.

Het Verdrag van Maastricht heeft zowel een ambitieuze, nieuwe agenda voor de toekomst geformuleerd - Economische en Monetaire Unie, justitie en binnenlandse zaken, een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - als een structuur vastgesteld waarin die nieuwe activiteiten kunnen worden verwezenlijkt. De in Maastricht overeengekomen zuilenstructuur van de Europese Unie was, wat het Verenigd Koninkrijk betreft, niet een tijdelijk tussenstation op een weg die onverbiddelijk naar volledige integratie voert. Het was een verstandig, duurzaam compromis tussen verschillende vormen van samenwerking voor verschillende behoeften.

Dat is de afgewogen wijze waarop Groot-Brittannië de toekomst van de EU benadert. Enkele van onze partners zien de zaken anders. In hun ogen is de nationale staat achterhaald. Zij willen het denkbeeld van samenwerking tussen soevereine regeringen afschaffen. Zij wensen een continu voortgaande integratie.

In dat model is uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschap vanzelfsprekend en onvermijdelijk, en zullen de gemeenschapsinstellingen - Europese Commissie, Parlement en Hof - gaandeweg een steeds breder scala van activiteiten onder hun gezag brengen. Zo zouden bijvoorbeeld de drie zuilen in één zuil moeten samengaan; alle besluitvorming zou bij meerderheid van stemmen moeten plaatsvinden; het Europese Parlement zou nieuwe bevoegdheden moeten krijgen om, even goed als een nationaal parlement, als wetgevend lichaam te kunnen functioneren; de Europese Unie zou een gemeenschappelijk defensiebeleid moeten gaan voeren binnen hetzelfde institutionele kader als haar overige activiteiten. Ofschoon ter rechtvaardiging van deze aanpak soms wordt gewezen op het vooruitzicht van uitbreiding, ben ik van mening dat grotere verscheidenheid in de EU er in feite tegen pleit.

Je hoort wel eens dat de aanhangers van dit model zouden samenzweren met het doel anderen uit te schakelen of te overheersen. Dat is een verwerpelijke, volkomen verdraaide voorstelling van zaken, waaruit een gebrek aan inzicht spreekt, niet alleen in de geschiedenis van Europa maar ook in de huidige realiteit. Het streven naar integratie is volstrekt legitiem. Sterker nog: velen in Nederland en elders steunen het uit hoogst respectabele motieven.

Ik respecteer hun kijk op Europa, maar deel die niet. De integrationisten gaan uit van de fietstheorie: als je ophoudt met trappen, valt het ding om. Dat is niet erg logisch gedacht. Geen fietser onderneemt een tocht zonder einde of rustpauzes. Ook op nationaal niveau gelooft niemand dat de staat alleen kan overleven als de overheid haar macht voortdurend uitbreidt. Wij leven juist in een tijdperk van informatietechnologie, terugtredende overheid, deregulering en diversiteit.

Hier doen zich enkele interessante parallellen voor. Sommige tegenstanders van de Europese Unie geloven dat de Europese samenwerking de nationale identiteit bedreigt. Ik neem een vergelijkbare onzekerheid waar bij hen die menen dat het Europese bouwwerk zo wankel is dat het zal instorten, tenzij het voortdurend wordt uitgebreid. Naar mijn mening dreigt juist het tegenovergestelde, namelijk dat het Europese bouwwerk topzwaar wordt en omvalt.

De twijfel aan de EU her en der in de unie is een teken aan de wand. In Groot-Brittannië ontwaar ik die twijfel bijvoorbeeld in bezwaren tegen het gemeenschappelijke visserijbeleid of de emolumenten voor de leden van het Europese Parlement. Klachten over afzonderlijke kwesties zijn dikwijls symptomen van een dieperliggende bezorgdheid: bijvoorbeeld dat de Europese Unie staat voor onophoudelijke verandering, voor verandering van alles - van de bevoegdheden van nationale instellingen tot en met de meeteenheid waarmee een groenteman zijn aardappelen mag verkopen. Wat de mensen óók zorgen baart, is dat deze verandering zo onverbiddelijk lijkt: ze verloopt uitsluitend in de richting van integratie, en wanneer zij willen dat die langzamer gaat of tot staan gebracht wordt, lijkt niemand te luisteren. Velen in mijn land vrezen dat dit onontkoombaar zal uitlopen op een federale superstaat waarin nationale staten weinig over het leven van hun burgers te zeggen hebben.

Natuurlijk doen vele Europese politici deze angsten af als simplistisch. Er is geen sprake, zo beweren zij, van een Verenigde Staten van Europa. Weliswaar geven zij toe te streven naar een gemeenschappelijke munt, een gemeenschappelijke defensie, een centraal Europees beleid voor sociale zaken, asielkwesties, immigratie, rechtspraak en politie, naar meer macht voor het Europese Parlement en meer besluitvorming bij meerderheid van stemmen. Maar een Europese superstaat? Nee, zeggen zij, dat staat niet op hun agenda. Ik ben blij dat te horen, maar ik zou toch wel graag willen weten waarin de Europese Unie uit hun plannen nu eigenlijk verschilt van een federaal Europa. Hoe ver willen zij gaan met de integratie op politiek en economisch gebied? Dat is de kernvraag die de pleitbezorgers van de integratie moeten beantwoorden. Als zij dat niet doen, of niet willen doen, zal het in heel Europa bijzonder moeilijk worden om de mensen ervan te overtuigen dat hun nationale instellingen en waarden geen gevaar lopen.

Zoals ik in mijn lezing in Stockholm heb opgemerkt, heeft de Zweedse premier er onlangs op gewezen dat de Zweden hebben gekozen voor een intergouvernementeel, niet voor een federaal Europa. Terecht sprak hij de waarschuwing uit dat als verdere integratie feitelijk tot een federaal Europa zou leiden, dat niet met ieders instemming zou gebeuren. Ik ben het van ganser harte met hem eens, en - zo vermoed ik - vele anderen in Europa met mij.

Wij moeten de mensen laten zien dat wij ons niet in een eeuwigdurende staat van revolutie bevinden. In 1986 zijn met de Europese Akte grote veranderingen geïntroduceerd. Maastricht in 1992 ging nog verder, en nu worden wij meegesleurd door alweer een intergouvernementele conferentie.

Ik denk dat de veranderingen niet in dit tempo kunnen doorgaan. Voortdurende verandering stelt het vertrouwen en de instemming van onze volkeren zwaar op de proef. Laten we bij de huidige intergouvernementele conferentie niet verder springen dan onze stok lang is, want het ligt toch zeker nog vers in het geheugen hoe moeilijk het was om Maastricht te ratificeren. Ik hoop ook dat wij na de Europese top in Amsterdam voor vele jaren een streep zullen zetten onder de institutionele veranderingen, opdat wij onze energie kunnen besteden aan de werkelijke uitdagingen, zoals de uitbreiding en de concurrentiepositie van Europa, in plaats van telkens weer de verdragen te herschrijven.

Ik geloof dat wij er beter aan zouden doen, allereerst effectief gebruik te maken van het bestaande internationale samenwerkingsverband, dat het midden houdt tussen de twee uitersten van de simpele vrijhandelszone en de federale staat. Wat Groot-Brittannië voor ogen staat, is een associatie van staten die, na eeuwenlange rivaliteit en conflicten, met elkaar verzoend en verenigd zijn, zonder de afzonderlijke identiteiten, die de rijkdom van Europa uitmaken, op te geven.