Niet ons soort mensen

Jannie Poelstra: Luiden van een andere beweging. Huishoudelijke arbeid in Nederland 1840-1920. Het Spinhuis, 402 blz., ƒ 47,50

Weinig dingen zijn zó snel uit het collectief geheugen verdwenen als de kloof die, zeker tot 1940, de samenleving in tweeën sneed. Aan de ene kant stonden zij die dienden, aan de andere zij die bediend werden. De kloof was des te onbarmhartiger omdat hij in het huiselijk leven voortdurend zichtbaar was - tenminste in de huizen van het bevoorrechte kamp, daar waar men zich liet bedienen.

Negentig jaar geleden nog stond in het Nederlands Burgerlijk Wetboek (art. 1638) dat een werkgever op zijn woord werd geloofd als zich een conflict voordeed met zijn dienstbode. De eerste sociale wetten golden nadrukkelijk niet voor huispersoneel. Hun werk, zo vond de wetgever, was niet te vergelijken met fabrieksarbeid. En de overheid moest zich vooral niet bemoeien met wat zich in de privésfeer afspeelde. Daar was de burger soeverein.

De belangstelling van historici voor deze, toch niet onbelangrijke kant van het leven ontwaakt tergend langzaam. In 1985 verscheen het onvolprezen, geïllustreerde boek Kaatje, ben je boven? Leven en werken van Nederlandse dienstbodes 1900-1940 van Barbara Henkes en Hanneke Oosterhof. Ook Jannie Poelstra was betrokken bij de totstandkoming ervan - en na het verschijnen van haar proefschrift Luiden van een andere beweging moet worden gezegd dat Kaatje nog steeds de beste bron is voor wie iets over het onderwerp wil weten.

Want dit boek is niet de lang verbeide, brede geschiedenis van het verschijnsel huispersoneel die de ondertitel belooft. Details over het leven van dienstboden, hun taken, hun behuizing enzovoort, worden door Poelstra slechts zijdelings gegeven. Zij bestudeerde het denken over dienstboden, zoals dat wordt weerspiegeld in kamerdebatten, wetsteksten, juridische verhandelingen en allerlei artikelen over maatschappelijke kwesties.

Dat is wel een heel bescheiden opdracht voor iemand die zo'n rijk en maagdelijk onderzoeksterrein betreedt. De achtergrond is wellicht dat hier emancipatoire - in casu feministische - geschiedschrijving wordt bedreven. Misschien wil Poelstra alles liever dan een beeld schetsen, dat zielig zou kunnen overkomen? In haar hele boek komt maar één dienstbode van vlees en bloed voor, de ongelukkige Antje van Harten, die seksuele betrekkingen had gehad met haar werkgever, ergens anders brand stichtte en tenslotte in 1844 door een Leidse rechtbank krankzinnig werd verklaard. Met het breed uitgemeten verhaal wil Poelstra laten zien welke geringschatting haar soort mensen ten deel viel.

Dienstboden zijn door hun werkgevers (en dat was iedereen die niet zelf tot de armste lagen van de bevolking behoorde) altijd beschouwd als een ander, minder soort mensen: dat is het telkens terugkerende motief in Poelstra's boek. Ook de titel gaat hierover: luiden van een 'andere beweging' waren zij, mensen met andere gevoelens, andere impulsen. Voor de moderne lezer blijft de antiquarische uitdrukking helaas duister, of roept misplaatste associaties op met een 'beweging', een organisatie.

Al ontbreekt in het boek elke poging tot beeldend vertellen, er komen natuurlijk wel fascinerende zaken ter sprake. Bijvoorbeeld de kwestie van de zedelijkheid: keer op keer verluidt in het dienstbodentijdperk de opvatting dat huispersoneel 'op een lagere trede van zedelijke ontwikkeling' staat. Men zag ze als het ware aan voor een soort kinderen - of zelfs dieren (en iedereen vond, althans in theorie, dat dat werkgevers ook een zekere verantwoordelijkheid gaf).

Voor ouders met een greintje sociale ambitie was het een diepe schande, als hun dochter uit armoede dienstbode moest worden. Kinderjuffrouw of gezelschapsdame, dat kon nog net; die functies waren bescheiden, maar niet onterend. Het is dan ook geen wonder dat pogingen om die functies belastingtechnisch gelijk te stellen aan die van dienstbode (waarover de werkgever 'meidengeld' moest betalen) op veel verzet stuitten; zo'n gelijkstelling van alle huispersoneel werd pas in de twintigste eeuw doorgevoerd, toen het het hele probleem al bijna achterhaald was.

Poelstra vertelt dit wel, maar lijkt niet echt aan te voelen hoe verschillend de maten waren waarmee hier gemeten werd. 'Dienen in een huishouding was niet in overeenstemming met het fatsoen,' schrijft zij verontwaardigd. Dat was het wèl - maar alleen voor kinderen uit de daarvoor 'bestemde' stand. Dat op gezelschapsdames wel degelijk óók vaak werd neergekeken, zoals zij beschrijft, staat daar los van.

Rond 1850 werkte ongeveer de helft van de vrouwelijke beroepsbevolking als dienstbode of werkvrouw: in de stad meer, op het platteland minder. Erg betrouwbaar zijn de cijfers niet: 'dienstbode' werd nu eenmaal niet altijd als een beroep beschouwd door de enquêteurs van volks- en beroepstellingen. Vanaf de werkgevers bezien schatte men dat rond 1900 zo'n 60.000 huishoudens waren met inwonend personeel. Een deel daarvan zal twee of meer mensen in dienst hebben gehad: een huis met twee meiden was niet voor niets het ideaalbeeld van burgerlijk welvaren. Maar zestigduizend, op een totaal van ruim één miljoen huishoudens (andere bronnen spreken van tien procent), dat was dus de kring van hen die meetelden. Zij maakten in elk opzicht de dienst uit.

De voortdurende wrijving, ergernis, haat tussen werkgeefsters en hun dienstboden is één aspect van het onderwerp dat wel enigszins wordt geïllustreerd door dit boek. Alleen al titels van geschriften als Dienstboden, de ergste plaag des levens (Amsterdam, 1857) maken iets duidelijk. Net als de verzuchting in het Sociaal Weekblad dat de dienstbodekwestie voor vrouwen 'de meest ontzenuwende en de meest onaangename taak is van haar dagelijksch leven' (1893). Onbegrijpelijk voor moderne lezers is daarbij dat niemand, werkelijk niemand die het zich kon veroorloven, dan maar afzag van het houden van huispersoneel.

Verder is het denken over de dienstbodenstand zoals Poelstra daarvan verslag doet, niet zo verrassend voor wie wel eens een boek van vóór de oorlog leest. Misschien dat van de vroege socialisten en feministen nog het meest, omdat je zou aannemen dat die de partij van het dienstmeisje kozen. Maar dat is een vergissing. Dit blijkt bijvoorbeeld rond de Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid, in 1898 in Den Haag. Daar was ook een dienstbodencongres aan verbonden, waar zowaar één dienstbode - naast diverse dames - het woord mocht voeren. E. Auwerda was haar naam, en zo wordt ze in de verslagen kennelijk aangeduid: zelfs de titel 'juffrouw' was voor een dienstbode immers te hoog. Hoe dan ook, haar gematigde betoog voor afschaffing van het fooienstelsel, met een korte uitweiding over slechte arbeidsomstandigheden, werd door de beroemde Wilhelmina (Dolle Mina) Drucker en haar medefeministen weggehoond: 'te sterk geprononceerd' en 'van klassehaat overvloeiend', schreven zij in het blad Evolutie.

Veranderde er nu iets, tussen 1840 en 1920? Natuurlijk wel, hoewel grote lijnen in Poelstra's boek, een woud van citaten, moeilijk te zien zijn. In elk geval bleef het absolute aantal dienstbodes groeien. Percentagegewijs niet, omdat er meer andere soorten werk voor vrouwen kwamen.

Van groot belang was de wet op de arbeidsovereenkomst van 1909, die dienstboden nagenoeg gelijkstelde aan andere arbeidskrachten. Hij kwam tot stand na eindeloze debatten, die Poelstra uitvoerig weergeeft. Toch krijgt de lezer maar een beperkt zicht op de wet zelf. Voor de praktijk belangrijke regelingen, zoals de proeftijd en het recht op een getuigschrift na het verlaten van een betrekking noemt zij niet eens. Wetsteksten zijn geen leuke leesstof, maar als je zoveel aandacht besteedt aan hun totstandkoming, zou een aanhangsel met de teksten die het uiteindelijk haalden, iets handigs hebben gehad.

Zo besteedt zij ook liever uitvoerig aandacht aan een boek van een zekere J.A. Jolles uit 1919 over het dienstbodenvraagstuk, dan dat zij probeert te beschrijven wat er na de Eerste Wereldoorlog daadwerkelijk veranderde. En als wetten dan zo belangrijk zijn, waarom in 1920 ophouden? In de jaren daarna voerde de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen actie bij de regering om dienstboden buiten de nieuwe Ziektewet te houden; toen die er eenmaal was, werd een steunfonds opgericht voor mevrouwen die procedeerden tegen hun dienstboden, wat vooral tussen 1930 en 1940 veel gebeurde. Dat alles valt, zonder aanwijsbare redenen, buiten dit boek.

In haar conclusie merkt Poelstra op dat het veelbesproken dienstbodenvraagstuk allereerst een standenvraagstuk was, verwoord door leden van de burgerij. Voor het perspectief van dienstmeisjes was nauwelijks belangstelling.

Dat is juist, maar het gekke is dat zij in haar eigen boek ook weinig belangstelling toont voor die dienstmeisjes. Zij is geïnteresseerd in de waardering voor huiselijke arbeid. Die was laag, stelt zij vast, en dáárdoor deden mevrouwen (en mijnheren) zo onaardig tegen hun personeel, en waren de wetten zo onrechtvaardig. Het neerkijken op huishoudelijk werk, en daarmee op degenen aan wie het werd uitbesteed, is doorgegaan tot in de huidige tijd, aldus Poelstra. (Zij voegt daar aan toe dat het in andere culturen vrijwel altijd net zo is geweest.)

Zo bereikt zij een slotsom die iedereen al bekend was. Met enige sombere bespiegelingen over de noodzakelijke 'herverdeling van zorgtaken' en een 'andere waardering van huishoudelijk werk', plus wat citaten van diverse feministes over dit onderwerp eindigt het boek. De lezer blijft achter met tweeërlei gevoelens: enerzijds de teleurstelling dat een boek waarin zo veel tijd en energie is gestoken zo weinig oplevert. En anderzijds dat dit nu is wat je krijgt als je het verleden bestudeert, niet uit belangstelling voor het verleden zelf in al zijn kleurigheid en vreemdheid, maar om een opvatting te staven. Dat die opvatting dan ook nog een platitude is ('iedereen kijkt neer op huishoudelijk werk') kun je tragisch noemen.