Nederlands-Indisch wespennest

Cees Fasseur: Indischgasten. Bert Bakker, 314 blz. ƒ 39,90

Hoe werd je Raad van Indië? De onlangs wederopgegraven schrijver Paul Daum had er een recept voor: 'De gemakkelijkste en kortste (weg) is waar men begint op een stoel te zitten en al schrijvende en liniëerende vooruitgeschoven wordt'. Zitvlees is een onmisbare eigenschap voor de ambitieuzen, en Indië verschafte een groot aantal zetels waar dit vlees beproefd kon worden. Niet iedereen nam echter genoegen met schrijven en liniëren. Tussen de klerken schuilden nogal wat wereldverbeteraars, idealisten, betweters, maar vooral ook aan-de-weg-timmeraars. Alleen de sloeber en de werkelijke zonderling gingen naar Indië zonder de hoop op het vergaren van een klein fortuin. De eerste bleef soldaat, de tweede werd geëxcommuniceerd.

Indië's beroemdste ambtenaar is zonder twijfel Eduard Douwes Dekker. Zijn ongelukkige optreden als assistent-resident van het armzalige Lebak op West-Java weerhield de regenten er niet van de bevolking te knevelen, noch het Gouvernement de ogen hiervoor toe te knijpen. Het betekende wel het einde van zijn loopbaan, en gaf aanleiding tot het schrijven van de mooiste roman van de negentiende eeuw. In Indischgasten, een nieuwe bundel van de Leidse hoogleraar Cees Fasseur, cirkelen de artikelen rondom de affaire-Lebak en vergelijkbare causes célèbres. 'Was hij (Douwes Dekker) excentriek, dan was hij in goed gezelschap' schrijft Fasseur, en vergast ons op een reeks ambtenarenportretten uit de hoogtijdagen van het cultuurstelsel.

Onder het motto dat geslaagde carrières minder interessante stof leveren dan gestrande ambities, gunt Fasseur ons een blik achter de schermen van de bestuursmacht. We komen terecht in het wespennest van de Nederlands-Indische bestuursdienst, een wereld van chicanes, nepotisme en rancune. Bijna alle artikelen zijn gewijd aan koloniale ambtenaren en militairen, een prins (Hendrik) en een koningin (Beatrix). Met uitzondering van de overigens ook niet geheel vlekvrije koninklijke optredens eindigden de hier beschreven carrières in een flop, sommige vroegtijdig, zoals die van Douwes Dekker, andere op het hoogtepunt van de roem.

Bekende namen passeren de revue, zoals Dirk van Hogendorp, F.N. Nieuwenhuijzen, de gouverneurs-generaal Otto van Rees (ook wel 'Koning Otto' genoemd) en James Loudon. Minstens even vermakelijk is het lot van de mensen van tweede garnituur. Een van hen was de religieus bevlogen Izaac Esser. Aanvankelijk deelde hij in Batavia en Buitenzorg, waar hij bij de algemene secretarie werkte, godsdienstige geschriften uit. Buiten diensttijd welteverstaan, we hebben het immers over ambtenaren. Toen hij het Gouvernement echter herhaaldelijk om zijn religieuze laksheid kapittelde, werd zijn positie onhoudbaar. Hij vroeg en kreeg ontslag, en wijdde de tweede helft van zijn leven aan de middernachtzending in de sloppen van Den Haag. Even boeiend en melodramatisch is de strijd op leven en dood tussen de arrogante en vleierige adjudant van Loudon, J.I. de Rochemont, en de officier J.J.W.E. Verstege, die beiden hun militaire loopbaan voortijdig beëindigd zagen door factiewisselingen aan het Buitenzorgse hof en hun wederzijdse wrok tot in de straten van Den Haag uitvochten.

Met groot inzicht in de ambtelijke existentie beschrijft Fasseur de ups en downs in het Indische leven. Hij weet de saaie wereld van de koloniale papierwinkel lucht te geven. Zijn proza leest als een dossier van het ministerie van koloniën, hertaald in een superieure ironische stijl. Zorgvuldig worden de conduitestaten van de ambtenaren gelicht, dikwijls met specificatie van salaris, emolumenten en pensioenrechten en aangekleed met biografische franje. Niet zelden wordt hij hierbij geholpen door de schotschriften van de gedupeerde ambtenaren zelf, want er werd flink met Javaanse modder gesmeten, ook na terugkeer in Nederland.

Toch gaat het Fasseur niet alleen om de rimpelingen in het Indische ambtenarenbestaan. Op de achtergrond van het kleine wel en wee doemt vaak het 'grote werk' op: de vormgeving van de koloniale staat. Vrije grond, vrije arbeid, vrije pers en de beteugeling van het vrije Atjeh vormen het raamwerk van de biografieën. Het lange essay over gouverneur-generaal Van Rees is tevens het relaas over de opkomst en ondergang van het 'liberaal-kolonialisme', de wanhopige poging het streven naar een vrijere Indische economie in overeenstemming te brengen met een batig slot. Het stuk over Henri Julius Lion, na een korte diensttijd als ambtenaar hoofdredacteur van het Bataviaasch Handelsblad, vertelt tegelijkertijd de lange strijd voor Indische persvrijheid. De carrières van vice-president F.N. Nieuwenhuijzen van de Raad van Indië en gouverneur-generaal Loudon zijn onlosmakelijk verbonden met een kwestie die het koloniale beleid van de jaren zeventig beheerste: beider loopbanen vinden hun einde na de eerste, smadelijk verlopen Atjeh-expeditie van 1873.

Niet zelden kwamen grootse ideeën in conflict met het persoonlijke belang. Met ironie en onverholen leedvermaak beschrijft Fasseur de wankelmoedige principes van de ambitieuze ambtenaren. Omarmde Van Hogendorp in 1795 niet plotseling de denkbeelden van de Bataafse revolutie, toen hij zijn carrièrekansen in Batavia had verbruid? Had Lion zich niet eerder tegen persvrijheid in Indië gekeerd? Of neem opnieuw de ongelukkige en hooghartige Loudon, die als minister zijn primaat in de Indische besluitvorming propageerde, maar als gouverneur-generaal de vrije hand en het volstrekte vertrouwen van Den Haag eiste. En ook Van Rees, Franssen van der Putte e tutti quanti worden consequent op hun beginselvastheid gewogen.

Het rommelde voortdurend in het boudoir van de technocratie. 'Indië' voedde de ambitie, frustratie en uiteindelijk de literaire inspiratie van menige Nederlander. Multatuli mag dan niet de enige querulant zijn geweest, en misschien ook niet de meest excentrieke, maar beslist wel de meest briljante, hoewel juist zijn tweede loopbaan als pamflettist, redenaar en romanschrijver tot dat beeld heeft bijgedragen. Sommige hier beschreven Indischgasten komen aardig in de buurt van de verongelijkte assistent-resident van Lebak, maar missen uiteraard zijn verbale begaafdheid.

Excentriek? 'De uitdrukking “tropenkolder” ontbeert niet voor niets een aan gematigder luchtstreken ontleend equivalent', schrijft Fasseur in zijn kenmerkende proza. Dat haalt je de koekkoek: koloniseerden de Javanen ooit Nederland? Ik waag te betwijfelen of de Indische kolonie of het tropische klimaat nu zoveel originaliteit in de hand werkte. Al met al zijn de ambtenarenlevens behoorlijk braaf. Wat zich aan hedendaagse beschouwer voordoet als excentriek gedrag, is toch grotendeels te herleiden tot sociaal en cultureel isolement, koloniaal ongemak en een gebrek aan democratische controle. Maar kolderiek of niet, Indischgasten is een interessante ambtenarengeschiedenis.

    • Remco Raben