Met grote snelheid

Het was een warme avond, midden in de zomer, en hoog in de populier zong de lijster.

De eekhoorn zat in het gras aan de voet van de beuk. Zijn hoofd zakte langzaam omlaag en hij kon zijn ogen bijna niet meer openhouden.

“Hallo eekhoorn”, hoorde hij opeens. Hij keek op. Het was de olifant.

“Hallo olifant”, zei hij.

De olifant bleef voor hem staan en leek iets te willen zeggen. Hij schraapte een paar keer zijn keel en zwaaide zijn slurf van zijn ene schouder naar zijn andere schouder.

“Eekhoorn”, zei hij toen.

“Ja”, zei de eekhoorn.

“Wil je met me dansen?” vroeg de olifant.

“Dat is goed”, zei de eekhoorn.

“Maar... eh... als ik op je tenen trap, word je dan niet boos?”

“Nee”, zei de eekhoorn. “Maar je moet niet op mijn tenen trappen.”

“Maar als ik het toch doe?”

“Nee, dan word ik niet boos.”

“En als ik opeens heel gelukkig ben en met je in het rond draai en je niet meer kan houden en jij met een enorme klap tegen de beuk vliegt en versuft blijft liggen, word je dan ook niet boos?”

De eekhoorn dacht na en zag zichzelf in het gras liggen, op zijn rug, onder de beuk. De olifant stond over hem heen gebogen, en hij voelde dat er een enorme bult op zijn voorhoofd verscheen.

“Nee”, zei hij langzaam, “dan word ik ook niet boos.”

“En als ik je dan overeind trek en verder dans?”

“Nee, dan ook niet.”

De olifant slaakte een diepe zucht, keek even heel ernstig en legde toen één voorpoot om het middel van de eekhoorn.

De maan scheen, de lijster zong en de olifant en de eekhoorn dansten.

Na twee passen trapte de olifant op de tenen van de eekhoorn.

“Au”, zei de eekhoorn. Maar hij werd niet boos.

Nadat hij nog tien keer op de tenen van de eekhoorn had getrapt en de eekhoorn niet één keer boos was geworden voelde de olifant zich heel gelukkig worden. De nachtegaal was ook gaan zingen en op de onderste tak van de beuk ging het vuurvliegje aan en uit.

De olifant draaide de eekhoorn, al dansend, om zich heen, steeds harder en wilder. Ik denk, dacht de eekhoorn, dat ik weet wat er nu gaat gebeuren.

“Ho!” riep de olifant. Maar het was al te laat. De eekhoorn vloog met grote snelheid door de lucht en kwam met een zware dreun tegen de beuk terecht.

Even later dansten ze weer. De olifant danste en de eekhoorn strompelde in de maat. De olifant probeerde niet meer te draaien en zo min mogelijk op de tenen van de eekhoorn te trappen.

“Wat dansen we mooi”, fluisterde hij in het verkreukelde oor van de eekhoorn.

“Ja”, kreunde de eekhoorn.

“Zo zou ik altijd wel willen dansen”, zei de olifant.

“Ja”, mompelde de eekhoorn, terwijl het vuurvliegje toekeek en vriendelijk aan en uit bleef gaan. Dat meen ik echt, dacht de eekhoorn.