Levensangst als onderstroom

Kester Freriks: Ogenzwart. Meulenhoff, 279 blz. ƒ 36,90

Een man verlaat zijn vrouw en kind voor een folie à deux met een fatale, rijpe schoonheid. Hij is rond de veertig, zij is twaalf jaar ouder. In de uren die ze delen spat de hartstocht ervan af, maar als hij weer alleen is ziet de man een toekomst samen somber in. De vrouw is getrouwd. Sterker nog, ze wil dat blijven. Op gezette tijden kondigt ze daarom het einde van hun liefde aan, maar heel voorspelbaar laait de hartstocht daarna des te feller op. Met of zonder elkaar, hun leven wordt onmogelijk. Hoe moet dat verder?

Het is nauwelijks een nieuw verhaal dat Ogenzwart vertelt, je kunt de scènes raden. Uit de eerste liefde groeit afhankelijkheid, uit die afhankelijkheid groeit angst en uit die angst groeit af en toe een flits van blinde haat, die aan de liefde onderwijl helaas niets afdoet. 'Verliefd worden', weet de man dan ook bij voorbaat al, 'is evengoed een tragedie als een geliefde verlaten of door een geliefde verlaten te worden.'

Toch is dit in het eerste hoofdstuk al meteen een onmiskenbaar Kester Freriks-boek. De held woont sinds zijn scheiding in een krot dat eerder dienst deed als garage voor de motoren van een groep Hell's Angels. De muren zijn beschimmeld, de ramen trekken aan hun spanjolet, de regen zingt in de lekkende goot, bij elke windstoot roffelen de pannen op het dak. 'Een thuishaven - maar geen rust - gevonden op de vlucht', zo laat de schrijver de verdoolde minnaar denken, en het pathos van dat zinnetje maakt elke twijfel overbodig. Hier spreekt een romanticus.

Die romantiek blijkt meer en meer het eigenlijke onderwerp van de roman. Terwijl de liefde uitzichtloos maar daarom nog niet minder heftig voortraast, overigens op den duur eentonig om te lezen, overziet de man zijn leven. Kriskras door de tijd loopt hij voorbije liefdes langs, een voorval uit zijn jeugd, een jaar in Minneapolis, en telkens weer ontdekt hij in zichzelf de trekken van een rusteloze zoeker. Altijd lijkt hij op de vlucht, verteerd door grote vragen, en vanzelf rijst gaandeweg een nieuwe vraag. Wat is dat toch, die ongeneeslijke onaangepastheid?

Iets uit zijn kindertijd, vermoedt hij zelf. Als jongetje van vijf is hij in '58 (net als Freriks zelf) uit Indonesië gerepatrieerd en sinds die tijd heeft hij zich nooit meer ergens thuis gevoeld. Hij ziet de wereld om hem heen als een domein van tweedracht en verraad en houdt zich staande met de droom van zijn verdwenen kinderland, het land waar alles goed was. 'Hij heeft het niet eens meegemaakt', erkent hij zelf, want hij heeft maar een enkele herinnering, 'en toch leeft hij in het gemis ervan; het is zijn verbetenheid te willen leven in voorbije dagen, gekoesterde illusies, in een verzonnen verleden.' Eeuwig heimwee drijft hem voort.

Maar gaat het echt wel om dat oude Indië? Zijn afschuw van de wereld ziet er in praktijk vooral uit als een afschuw van het banale en bezoedelende van de werkelijkheid in het algemeen - het alledaagse, het vergankelijke. Zou hij daar in Indië aan zijn ontkomen? Zijn probleem is niet zozeer zijn achtergrond, begin je halverwege te vermoeden, maar zijn karakter. Hij is domweg niet bereid zich in de akelige kanten van de werkelijkheid te schikken en zoekt daarom onderdak bij de illusie van een andere werkelijkheid, bij een gedroomd verleden. Het verlangen naar het land van zijn geboorte is met andere woorden een verbloemd verlangen uit de wereld te ontsnappen. 'Een onvindbare schim te worden', zoals hij zich al mijmerend laat ontvallen. Te 'verdwijnen'.

Ook zijn onmogelijke liefde blijkt ten slotte niet te zijn wat ze lijkt. Karakter krijgt de liefste nauwelijks, dat valt meteen al op, en of er nu echt sprake is van liefde? Hartstocht, dat lijkt meer het woord. ('In de liefde is er maar een doel,' zegt hij kordaat, 'begeerte en extase'.) Meer en meer wordt de geliefde een exempel van de vrouwelijke soort in het algemeen. Zij moet veroverd en bezeten worden, zegt hij, onderworpen aan zijn 'koude kussen'. Zij moet dienen als een instrument voor de vervulling van zijn lust, die 'op het hoogtepunt schaamteloos zelfzuchtig' is. Zij moet hem helpen aan de roes van het orgasme - en wat anders is die roes dan een kortstondige verdwijning uit de werkelijkheid?

Levensangst, dat is de onderstroom van dit verhaal (en van de romantiek in zijn geheel misschien zelfs wel). Maar het merkwaardige daarbij is dat nooit erg duidelijk wordt in hoeverre Freriks zich dat boven het papier bewust geweest is. Af en toe staat hij zijn held een korte zelfbeschouwing toe, maar vaker geeft hij de gekwelde ridder alle ruimte om zich mee te laten slepen door zijn stormachtig gemoed. Of je zijn levensangst als een gebrek moet zien of juist als waarmerk van een groots en meeslepend gevoelsleven, je komt het niet te weten, en je blijft ten slotte achter met een brij aan emoties die zich nauwelijks meer laat ontleden. Weltschmerz als oersoep.

Freriks is zijn stof niet goed de baas geworden, vrees ik. Alles aan dit boek toont onmacht, tot de taal aan toe. Hoe groter de gevoelens zijn, hoe groter ook de woorden worden. Passie is 'uitzinnig' dan wel 'allesverterend' en natuurlijk 'onverzadigbaar', om kort te gaan een 'orgie der zintuigen'. Euforie is 'eeuwigdurend', heimwee is 'oneindig', afscheid heet 'adieu' en is alleen nog maar te vangen in de ijlste metafoor. ''Ik vlieg weg,' noteert de liefste in een afscheidsbrief. 'Ik ben een meeuw en meeuwen moeten vliegen.'

Zoveel overrompelend gevoel, van de schrijver, van de held en zelfs van die heldin - het gevoel van de lezer kan er onmogelijk nog bij.