Kleine goden; Microcosmos, een speelfilm over insecten

Tijdens de opnames verlieten acteurs zonder opgaaf van reden rennend of vliegend de set, of ze namen in plaats van voor, óp de camera plaats. Microcosmos is een speelfilm over het dagelijks leven van insecten. “Wij willen de insecten rehabiliteren, hun vreemde schoonheid laten zien, hun vele talenten”, zeggen de makers Marie Pérennou en Claude Nuridsany.

Microcosmos, le peuple de l'herbe draait vanaf 13 februari in Nederlandse bioscopen. Claude Nuridsany et Marie Pérennou: Microcosmos, le peuple de l'herbe. Éditions de la Martinière, 160 blz. Prijs ƒ 91,20. De filmhistorische bijzonderheden in dit artikel zijn ontleend aan de documentaire Ces animaux qui nous font peur van Richard Vargas (1996).

'Niet wreed genoeg'. Die kritiek heeft de makers van de film Microcosmos, le peuple de l'herbe (het volk van het gras) nog het meest verbaasd. “Mensen denken dat insecten al hun tijd doorbrengen met elkaar verscheuren”, constateert Marie Pérennou. “Men doorbreekt niet ongestraft een culturele conventie”, valt haar echtgenoot, Claude Nuridsany, haar bij. Vandaar die beschuldiging van kwade trouw in het weekblad le Nouvel Observateur: de filmmakers zouden de minuscule dierenwereld tussen de grashalmen willens en wetens vrediger hebben voorgesteld dan hij is.

Pérennou en Nuridsany hebben met Microcosmos, een bioscoopfilm van een uur en een kwartier met insecten en andere kleine dieren in de hoofdrol, willen breken met de regels van de conventionele natuurfilm, waarin het leven van beesten geheel bepaald wordt door paring, zorg voor de kleintjes en zoektocht naar een prooi. Zulke hoogtepunten ontbreken niet in Microcosmos: twee slakken geven zich bijvoorbeeld over aan een - in werkelijkheid acht uur durende - slijmerige lichaamskus. Maar in Microcosmos is ook plaats ingeruimd voor het alledaagse leven van de favoriete dieren van de filmmakers: luierende lieveheersbeestjes, rupsen die een eindje om gaan, slapende torren.

“Geweld heeft in die wereld wel een plaats, maar is niet allesoverheersend”, aldus het echtpaar. “Wij willen de insecten rehabiliteren. Al te veel films hebben hen afgebeeld als kleine, bloeddorstige robots, verwikkeld in eeuwigdurende slachtpartijen. Wij willen hun vreemde schoonheid laten zien, hun vele talenten, hun dagelijkse bezigheden.” En de filmmakers hebben ernaar gestreefd hun personages steeds als individu te laten zien, “op een bepaalde dag, een bepaalde plaats, een bepaald moment van hun leven, niet inwisselbaar voor een ander.”

Doel was om, net als bij doorsnee bioscoopfilms, tussen de bioscoopganger en de personages op het witte doek een gevoel van medeplichtigheid tot stand te brengen. Pérennou en Nuridsany geven grif toe dat zij relatief veel insecten hebben gekozen die door de menselijke kijker als sympathiek worden ervaren, zodat deze zich met hen kan identificeren. Meer lieveheersbeestjes, vlinders en libellen dan vreesaanjagende monsters dus. Die strategie heeft goed gewerkt: binnen twee maanden hebben bijna tweeëneenhalf miljoen Fransen Microcosmos gezien.

De filmmakers werpen het verwijt, de micro-wereld al te rooskleurig te hebben voorgesteld, verre van zich. “Er is geen sprake van dat wij het geweld hebben willen versluieren. We hebben het alleen zijn juiste plaats willen toekennen.” Dat gebeurt bijvoorbeeld in de heroïsche strijd van twee torren om een wijfje. Als middeleeuwse toernooi-ridders nemen ze elkaar te grazen, totdat duidelijk is wie de sterkste is en de verliezer de aftocht blaast. “Ze brengen elkaar geen blijvend letsel toe, het gaat geheel en al om het gevecht”, constateert Pérennou.

Atoomproeven

Het moet gezegd dat aan het insect tot nu toe in films vooral de schurkenrol was toebedeeld. In de jaren vijftig leverde Hollywood een hele serie films af waarin tot reusachtige proporties uitgegroeide insecten de mensheid bedreigen en de wereld overnemen: Them! van Gordon Douglas, Tarantula van Jack Arnold, om enkele voorbeelden te noemen. De inspiratiebron voor die films waren de atoomproeven en de daarmee verbonden vrees dat de wetenschap uit de hand zou lopen. Zo onberekenbaar werd het leven, dat zelfs het meest ondenkbare, een machtsovername door de nietigste dieren, plotseling denkbaar werd.

Maar met het vervagen van de concrete vrees voor de atoomoorlog ging het imago van het insect in de speelfilm er nauwelijks op vooruit. In The Fly van David Cronenberg uit 1986 zien we Jeff Goldblum langzamerhand in een vlieg veranderen. Niet alleen is dat een smerig gezicht, maar het is de kijker ook duidelijk dat Goldblums verwachting dat hij bij zijn overgang naar het vliegdom iets van zijn menselijke moraal kan meenemen niet uit kan komen.

Insecten zijn amoreel. Zelfs wanneer er - zoals in het geval van mieren of bijen - bij de mens nog een zekere theoretische waardering lijkt te bestaan voor hun gemeenschapszin, leidt deze eigenschap al vlug tot terrorisme. In Phase IV (Saul Bass, 1974) nemen mieren - nu weer klein, maar talrijk en slim - weer de wereld over.

Het beeld van insecten in meer kunstzinnige films is nauwelijks positiever: in O Melissikomos (De Bijenhouder) van Theo Angelopoulos (1986) pleegt de hoofdpersoon zelfmoord door wat korven omver te werpen en zich door zijn eigen bijen dood te laten steken.

Als een eervolle uitzondering moet de Spaanse regisseur Luis Buñuel worden genoemd, die in zijn vrije tijd overigens amateur-entomoloog was. (Entomologie is de wetenschap der insecten). Buñuel benadert het insect veelal met liefdevolle aandacht: in zijn documentaire over de Estramadura, Las Hurdas (1932), laat hij bijen een hele ezel verorberen. In Abimos de pasion (1932) prikt de hoofdpersoon - tot afschuw van zijn vrouw - prachtige vlinders levend op een naald, voor de verzameling. En in een filmhistorisch bijna uniek geval van respect overweegt de hoofdpersoon van Ensayo de un crimen (1955) met zijn wandelstok een sprinkhaan te verpletteren, om daar tenslotte, uit bewondering voor de schoonheid van het beest, vanaf te zien.

Achtertuin

Insecten komen er zo slecht van af, denken Nuridsany en Pérennou, omdat weinig mensen echt naar ze kijken. “Alleen in hun kindertijd, bij grootmoeder in de achtertuin, hebben de meesten van ons die geheimzinnige wereld bestudeerd”, zegt Nuridsany. Daarna komt het er niet meer van, en wordt de kleine wereld een universum van minderwaardige wezens die hoogstens irritant prikken en vertrapt mogen worden. “Wij zijn samen altijd een beetje kind gebleven”, aldus Pérennou.

Sinds zij elkaar eind jaren zestig leerden kennen tijdens de biologie-studie aan de Parijse Jussieu-Universiteit, is het echtpaar niet opgehouden met de studie van de kosmos der zespotigen. Met die biologie-studie was het voor het stel overigens spoedig gedaan. Geen demonstratie tijdens de Parijse revolte van 1968, of het jonge paar liep mee. De rest van hun tijd werd zoveel mogelijk in de Cinémathèque in het Palais de Chaillot doorgebracht. De twee voelden zich in aanleg meer kunstenaar dan wetenschapper.

“Jammer dat in onze tijd wetenschap, kunst en filosofie zo uit elkaar zijn gedreven”, zegt Nuridsany. “In de Encyclopédie van Diderot en d'Alembert uit de achttiende eeuw kun je onder het hoofdje 'Vlieg' bijvoorbeeld nog een literaire ontboezeming aantreffen: 'de pracht van de vleugels overtreft die van de klederen aan het hof van onze grootste prinsen'. Zoiets zou nu ondenkbaar zijn: wetenschappers hebben maar hoogst zelden iets buiten hun vakgebied te beweren, en de meeste filosofen en kunstenaars hebben weinig idee over wat er in de wetenschap gebeurt.”

Gewapend met biologische vakkennis besloot het echtpaar zich dus op dit snijvlak te gaan bewegen. Er ontstonden fotoboeken en teksten, en een reeks natuurfilms voor het televisiestation TF1 onder de titel Le Monde des animaux (De wereld der dieren). Al spoedig bleek de achtertuin van hun huisje in de Aveyron, een streek in Midden-Frankrijk een onuitputtelijke inspiratiebron - het ritselde tussen de grashalmen van de meest exotisch uitziende insecten en andere kleine dieren. Jaar in jaar uit lag het echtpaar, al of niet gewapend met een fotocamera, in het gras en hield de waarnemingen bij in schriftjes.

Zo ontstond het stoutmoedig plan om al die gebeurtenissen in het leven van individuele insecten te vervatten in een bioscoopfilm. Nuridsany en Pérennou wisten uit eigen waarneming, wanneer, waar en met wie bepaalde gebeurtenissen te verwachten waren. Ze schreven een scenario en voor sommige scènes zelfs een storyboard - een getekend plan voor camera- en acteursbewegingen. Nu moest het geheel nog op 35-millimeterfilm worden vastgelegd, met gebruikmaking van insecten-acteurs.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Een 35-millimetercamera is een omvangrijk apparaat, nauwelijks ingesteld op het maken van opnamen op enkele centimeters afstand en ook voor het maken van camerabewegingen op deze schaal was geen apparatuur voorhanden. Zes maanden had een team van ingenieurs onder supervisie van producent Jacques Perrin nodig om deze problemen op te lossen. Het werken op zo korte afstand en met kleine diafragma-openingen vergt veel extra licht: er werden warmtearme lampen ontworpen, zodat de acteurs comfortabel konden werken. Bovendien werd met filters de infrarode straling uit het licht gezeefd, omdat in tegenstelling tot de mens veel insecten die kunnen zien.

De camerabewegingen waren een ingewikkelder probleem. Van het maken van alleen statische beelden kon geen sprake zijn. “Dan zou het zijn alsof je een film over mensen maakt, door een camera bovenop de Eiffeltoren te zetten. De mogelijkheden om op die manier individuen tot gelding te laten komen, zijn zeer gering. Wij wilden een echte film maken, waarbij we als cineasten de volle verantwoordelijkheid konden nemen voor wat de beelden oproepen.”

De camera langs rails voortbewegen, zoals bij veel mensenfilms, leek geen goed idee, gezien het weinig gedisciplineerde en weinig voorspelbare karakter van veel acteurs. Tenslotte ontstond een driehonderd kilo wegende, aan een plafond op te hangen constructie - op afstand aan de hand van een videosignaal met handels en knopjes in elke gewenste, minieme, richting wendbaar. Als gevolg van deze keuze kon een groot deel van de film niet meer buiten worden opgenomen. Nuridsany en Pérennou richtten daarom in de schuur van hun huis in de Aveyron een heuse studio in. Drie jaar lang - want zo lang duurden de opnamen - hebben de filmmakers partijen weiland en bos de studio in en uit gedragen.

Affectie

“Met een insect heb je als mens, anders dan met een kat, geen affectieve relatie - wij waren voor hen vermoedelijk niet meer dan amorfe massa.” Dat beperkt de mogelijkheden de acteurs te instrueren. In ettelijke gevallen verlieten de acteurs zonder opgaaf van redenen rennend of vliegend de set, om nog maar te zwijgen over degenen die besloten om inplaats van vóór, óp de lens plaats te nemen. De animo tot uitvoering van het scenario bleek vaak buitengewoon gering. Eén van de hoogtepunten in Microcosmos is de mestkever die een stukje geitenstront eerst tot een handzaam bolletje kneedt, ten einde de buit comfortabel naar huis te kunnen rollen. Wat de kijker niet weet, is dat aan de mestkever in de film opnamen van 49 anderen vooraf zijn gegaan, die het eenvoudig verdomden - hoezeer Pérennou ook probeerde hen met smakelijke excrementen te verleiden.

Het moet echter gezegd dat nummer vijftig de filmmakers ruimschoots voor hun geduld compenseerde, door zijn bolletje halverwege het parcours onverhoeds op een sprietje te prikken, en voor dit transportprobleem na veel zichtbaar nadenken een ingenieuze oplossing te vinden. Andere acteurs beloonden het echtpaar weer met het spelen van scènes die niet in het draaiboek waren voorzien. Het bovengenoemde gladiatorengevecht van twee kevers om een wijfje ontstond bijvoorbeeld spontaan tijdens de opnamen - Nuridsany noch Pérennou hadden zoiets tijdens hun jarenlange waarnemingen ooit mogen aanschouwen.

Vele kilometers film zijn daarentegen weer verspild aan het streven om versneld (vijfhonderd beeldjes per seconde) het opstijgen van een lieveheersbeestje van een grasspriet te filmen, zodat deze wonderschone gebeurtenis later in de film vertraagd getoond zou kunnen worden. Ook hier bleek van massale onwil sprake.

Het eenvoudigst was het nog werken met de fazant, die zich in de film tegoed doet aan een partijtje mieren - “als een God die over leven en dood beschikt”, zegt Pérennou. De fazant was als enige van de in de film voorkomende dieren gedresseerd, in die zin dat hij met een bordkartonnen doos en een bandapparaatje aan de aanwezigheid van een snorrende camera gewend was geraakt.

In het bij de film behorende boek worden over deze massamoord - die zowel uit het standpunt van de vogel als dat van zijn slachtoffers wordt getoond - interessante dingen verteld. Zo blijkt de geleidelijk toenemende paniek die je zich van de mieren meester ziet maken, het gevolg van het feit dat een geplette mier een bepaalde stof verspreidt, die voor zijn soortgenoten als een alarmsignaal fungeert.

Het boek staat trouwens vol met fascinerende wetenswaardigheden. Zo leren wij dat de acteurs zelf aan de vertoning van de film Microcosmos weinig vertier zouden beleven. Het menselijk oog kan maximaal achttien lichtflitsen per seconde onderscheiden, vandaar dat een film (24 beeldjes per seconde) door de mens als een continu beeld wordt ervaren. De meeste insecten onderscheiden echter tweehonderd of meer lichtflitsen per seconde en hebben dus een geheel andere tijdsbeleving dan de mens: 'Een seconde is voor een insect tenminste tien keer zo rijk aan indrukken. Vandaar dat de bewegingen van een vlieg of mug in de lucht ons zo overdreven haastig en onoverwogen voorkomen.'

Met het boek in de hand vind je het als kijker soms jammer, dat je dit niet allemaal wist voordat je de film zag. Neem dat spinnetje dat zo druk en onduidelijk in de weer was met luchtbelletjes onder water. Ik had helemaal niet begrepen dat hij bezig is met het fabriceren van een soort duikerklok, zodat hij in alle rust onder water zijn prooi kan oppeuzelen, zonder de zuurstof te hoeven missen die hij nodig heeft om te overleven.

Mythologie

Pérennou en Nuridsany hebben welbewust afgezien van leerzaam commentaar in de film, sterker nog: die afwezigheid stond centraal in hun onderneming. “Wij hebben een film willen maken, die niets uitlegt, maar die een parallelle wereld laat zien. Die wereld, waarin bijvoorbeeld over water lopen of herboren worden heel gewone verschijnselen zijn, is ons fundamenteel vreemd. Maar desondanks is die wereld een schouwtoneel des levens, net als de onze. Je kijkt naar die nietige wezens en vindt in hen toch iets vertrouwds: het leven zelf, en de liefde hebben alle wezens op aarde gemeen, ongeacht hun grootte.”

Een belerend commentaar had, meent Pérennou, afbreuk gedaan aan de mythologische indruk die veel beelden maken. “Het is misschien wel boeiend te weten dat het over water lopen samenhangt met een andere verhouding van het insect tot zwaartekracht en oppervlaktespanning. Maar voor onze film is het belangrijker dat zo'n libelle ons herinnert aan de goden en godinnen in de mythologie.”

Net als in de Griekse mythologie leggen deze kleine goden soms gedrag aan de dag dat verrassende overeenkomst vertoont met het menselijke. Een van de sterkste scènes van de film vind ik die waarin twee kolonnes rupsen zich tot één kolonne willen voegen. Net als bij twee rijen langzaam rijdende auto's is heel moeilijk te beschrijven hoe dit proces zich voltrekt. Er is geen vastomlijnde procedure: alles hangt af van kleine momenten van onoplettendheid of onverklaarbare vriendelijkheid om plaats te maken, in combinatie met agressieve vastberadenheid of gebrek aan durf bij de invoegers.

Maar is deze neiging tot vermenselijking niet evenzeer een val voor een natuurfilm als de neiging tot rationaliseren? Komt er dan nog wel iets terecht van de mythologische pretenties van de film? De filmmakers draaien deze redenering om. “Als je nooit de overeenkomsten tussen mens en dier zou laten zien, verban je het dier naar een andere wereld dan die van de mens. En onze bedoeling is juist om tussen insecten en mensen een gevoel van lotsverbondenheid tot stand te brengen. Maar er is een grens: als je dieren tot mensen omvormt, valt er uit hun gedrag niets meer te leren. En een wereld zonder dieren, zou een heel treurige wereld zijn.”