'Kindermoord wijst op imitatie'

Een imitatie-effect kan een cluster van zelfmoorden veroorzaken. Met de recente reeks van kindermoorden is mogelijk hetzelfde aan de hand. “Want radeloze mensen moeten eerst op zo'n idee komen”, zegt de psycholoog A. Kerkhof.

AMSTERDAM, 7 FEBR. Een unieke ontwikkeling, waarvan in de psychologische of sociologische literatuur geen tegenhanger is te vinden. Zo typeert de psycholoog prof.dr. A. Kerkhof van de Vrije Universiteit Amsterdam de acht gevallen van kindermoord door ouders sinds januari vorig jaar, waarvan het bericht over de moord op twee eigen kinderen in Limburg gisteren de meest recente is. Vorige maand deden zich vier gevallen voor. In totaal zijn op deze wijze in ruim een jaar zestien kinderen vermoord, allen tussen de 4 en 10 jaar oud. Volgens het CBS kwamen in 1995 in totaal drie kinderen van 1 tot 10 jaar oud om door een misdrijf, tegen 406 die dat jaar stierven aan ziekten of ongevallen. De getallen voor 1994 zijn vrijwel identiek.

In tenminste vijf van de acht gevallen volgde op de kindermoord een zelfmoord of een poging daartoe. Dat feit wekte de professionele belangstelling van Kerkhof, die gespecialiseerd is in de psychologie van de zelfmoord. Mogelijk kunnen conclusies uit het internationale zelfmoordonderzoek bijdragen aan beter begrip. Want Kerkhof ziet in de achtergrond van de daders - voor zover bekend - een patroon dat wijst op 'model-navolging'. “Wat ik uit de kranten begrijp is dat bij zeven van de acht moordgevallen mannen betrokken zijn van rond de veertig, die onder enorme druk stonden in een chaotisch gezinsleven. Dergelijke overeenkomsten in leeftijd, geslacht en situatie zijn ook bekend uit clusters van zelfmoorden op scholen, in psychiatrische inrichtingen, bejaardenhuizen of gevangenissen. Mensen vergelijken zichzelf met lotgenoten en als die in een uitzichtloze situatie suïcide als uitweg kiezen, wordt dat eerder als mogelijkheid gezien.”

De Nederlandse reeks lijkt inderdaad uniek. Uit buitenlandse kranten zijn alleen kleinere 'uitbarstingen' van kindermoorden bekend. In het Midden-Westen van de Verenigde Staten leidden eind vorig jaar twee gevallen van kindermoord tot vragen in de pers: 'Why do parents kill children?' kopte The Plain Dealer op 4 december. Een 43-jarige man uit Cleveland had zichzelf en zijn zesjarig zoontje van het leven beroofd nadat zijn vrouw hem verlaten had. Een andere vrouw schoot haar drie kinderen en zichzelf dood.

Op 26 januari 1996 berichtte The Gazette uit Montreal over een reeks van drie Canadese kindermoorden in een maand, onder de kop Copycat child-killers? Gory coverage worries some experts'. Een vrouw vermoordde haar twee kinderen en sloeg vervolgens de hand aan zichzelf - wegens 'ernstige voedselallergieën', schreef ze in een nagelaten briefje.

Een man vermoordde twee dochters en zijn vrouw - die hij al vaker mishandeld had. Daarna verwondde hij twee andere dochters en probeerde hij zelfmoord te plegen. Een andere Canadese vrouw had volgens The Gazette die maand 'per ongeluk' haar man en zoon omgebracht toen ze zelfmoord pleegde.

Pagina 2: Duitse tv-serie had reeks zelfmoorden tot gevolg

Door de intense media-belangstelling voor de moorden zou sprake kunnen zijn van copycat-gevallen, imitaties, opperden Canadese psychologen. Statistici ontkenden dat er een meerjarige trend bestond, al was er wel sprake van een stijging. In 1993 werden in Canada 33 kinderen jonger dan achttien jaar vermoord door hun ouders, evenveel als in 1992. Maar in 1994 kwamen er op die wijze 47 om. Uit cijfers uit Quebec blijkt dat er bij het overgrote deel van de kindermoorden door ouders sprake is van mishandeling in het gezin of van een ernstig depressieve patient. Meer dan de helft van de daders pleegde na de moord zelfmoord of deed een poging daartoe.

In de Verenigde Staten ontstond in 1995 opwinding toen uit een nationale studie bleek dat daar ieder jaar tenminste 2.000 kinderen van vier jaar of jonger door ouders of verzorgers worden omgebracht. Maar daarbij gaat het vooral om de gevolgen van langdurige kindermishandeling. “En daarvan lijkt in deze Nederlandse reeks juist geen sprake te zijn”, zegt Kerkhof. “Tenminste in de berichtgeving is daarvan niets gebleken. Terwijl kindermishandeling vrijwel altijd bij buitenstaanders bekend is.”

Om een en ander wetenschappelijk te onderzoeken wil Kerkhof aan Justitie vragen om hun materiaal ter beschikking te stellen aan hem en zijn 'suïcidologische' team van de VU, ten behoeve van wat hij noemt een 'psychologische autopsie' op de individuele moordgevallen. “Pas dan kun je conclusies trekken over overeenkomsten of verschillen. Alleen zo kan er meer helderheid worden gebracht.”

Het imitatie-effect dat Kerkhof als mogelijke verklaring poneert, is omstreden. Een oproep van de trauma- en kinderpsycholoog W. Wolters tot een mediastilte om verdere kindermoorden te voorkomen, werd mede daarom vorige week door de hoofdredacties van Nederlandse kranten en journaals afgewezen, ook door deze krant. Natuurlijk is het niet zo dat mensen zelfmoord plegen of hun kinderen vermoorden omdat ze in de krant over zo'n geval lezen”, zegt Kerkhof. “Maar als mensen wanhopig zijn en een uitweg zoeken, zijn ze erg suggestibel. Dan kan de vorm waarin ze die uitweg zoeken worden beïnvloed door de voorbeelden van anderen. Stel dat er op een bepaalde dag 300 mensen in zo'n vergelijkbare uitzichtloze gezinssituatie zitten en in hun radeloosheid denken dat dat leven erger is dan doodgaan. Dan zijn er misschien 200 die op die dag van een kindermoord horen in de media. Misschien 100 daarvan komen daardoor op het idee die uitweg te kiezen, en 99 verwerpen die gedachten dan weer als te idioot. Één doet het wel. En dat komt dan weer in de krant en zo gaat het verder. Ik acht het daarom goed te verdedigen dat op die manier tenminste een paar van de moordgevallen uit de huidige reeks tot stand zijn gekomen.” Kerkhof pleit er voor in de berichtgeving in ieder geval te vermelden dat hulpverlening het drama had kunnen voorkomen, want dat kan mogelijke navolgers dan ook weer op dàt idee brengen.

Wetenschappelijk acht Kerkhof het bestaan van een imitatie-effect ten aanzien van zelfmoord bewezen. Hij baseert zich daarbij op een onderzoek uit eind jaren tachtig naar de gevolgen van de uitzending van een zesdelige Duitse televisieserie over de zelfmoord van een jongen van een jaar of zeventien. De onderzoeker A. Smidtke uit Würzburg constateerde dat na de uitzendingen meer suïcides plaatsvonden dan in dezelfde weken de jaren daarvoor. Daarbij ging het speciaal om jongens van ongeveer dezelfde leeftijd als de televisie-zelfmoordenaar. En net als op tv ging het om zelfmoord aan de spoorbaan. “Dat bleken geen gevallen die in andere jaren op een andere manier of misschien later in het jaar zelfmoord zouden hebben gepleegd: het waren additionele gevallen”, aldus Kerkhof. Toen een jaar later de serie - ondanks waarschuwingen van Smidtke - door de Duitse tv werd herhaald, trad hetzelfde effect op, met minder gevallen: precies evenredig aan de lagere kijkdichtheid. “Wat dat betreft was het een ideaal psychologisch experiment, met nog een extra controleperiode”, zegt Kerkhof. De Nederlandse televisie zag mede door het onderzoek van Schmidtke van uitzending af.

Niet bekend

In 1989 verscheen in Nederland het internationaal gezien waarschijnlijk grootste onderzoek naar het effect van krantenberichten op zelfmoordcijfers, van de sociologen A.P. Köpping, H.B.G. Ganzeboom en P.G. Swanborn. Ze onderzochten het effect van berichten over zelfmoord op de voorpagina's van de Volkskrant, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad in de periode 1955-1984 op de Nederlandse zelfmoordcijfers uit dezelfde tijd. Ze vonden niets, op een heel klein effect na dat een erg opvallend bericht één extra zelfmoord veroorzaakte in de maand van publicatie. Per dag was er echter geen effect. Een mediastilte achtten ze daarom zinloos. In hun onderzoek ging het om de totale zelfmoordcijfers. Er kon geen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende kenmerken van zelfmoordenaars, zodat meer specifieke 'modelnavolging' statistisch moeilijk was op te sporen.

Het onderzoek was een uitvoerige herhaling van onderzoek dat de socioloog D.P. Phillips in de Verenigde Staten had gedaan. Phillips had wel belangrijke effecten van publiciteit rond zelfmoorden gevonden. Hij had zelfs ontdekt dat het aantal verkeersdoden en zèlfs het aantal vliegtuigongelukken toenam na publicatie van zelfmoordgevallen. Die ongelukken zouden dus 'verborgen' zelfmoorden kunnen zijn. Het verschil met deze bevindingen van Phillips verklaarden de Nederlandse sociologen uit 'culturele verschillen', maar vooral uit het feit dat Philips alleen het effect had onderzocht van zelfmoordenaars die met naam en toenaam in de media werden genoemd - niet de anonieme. Voor de paar zelfmoorden door 'bekende Nederlanders' vonden de Nederlanders geen effect. “Het imitatie-effect blijft een moeilijke hypothese”, zei Ganzeboom - inmiddels hoogleraar sociologie.