Kiezen tussen tranen en scherven

De meest uitgesproken voorvechter van een sterke euro na de Bundesbank blijkt Malcolm Rifkind, minister van Buitenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk. In Stockholm sprak hij deze week tegenover journalisten (zie ook nevenstaand artikel) zijn twijfel uit of de Economische en Monetaire Unie (EMU) in 1999 zonder “knoeierij” en “creatief boekhouden” volgens schema in werking kan treden.

Volgens de bewindsman dreigt het hele project in een tranendal te eindigen, tenzij het wordt opgetrokken naar “solide economische grond”.

In de woordenstrijd over de vraag of de euro monetair hard dan wel politiek flexibel moet zijn, is het duidelijk waar de Britten staan. Wie het Verenigd Koninkrijk het euro-gebouw wil binnenhalen, weet wat hem te doen staat. Overigens is Groot-Brittannië de enige grote lidstaat die deelname kan weigeren, ook als het zelf aan alle criteria voldoet. Dat is een van de paradoxen van het Verdrag van Maastricht.

De vrees van opting out-Rifkind voor een monetair tranendal lijkt geïnspireerd door het vermoeden dat Fransen en Duitsers, als het er straks op aankomt, hun goede voornemens zullen zijn vergeten. De criteria van Maastricht en het stabiliteitspact van Dublin acht de Britse bewindsman kennelijk niet opgewassen tegen de politieke druk die bezig is te ontstaan om de euro in te voeren - ook als de voornaamste deelnemers, de Bondsrepubliek en Frankrijk, niet helemaal aan de eisen voldoen. Niet alleen zou dan de euro-kern niet deugen, maar het zou ook moeilijk kunnen worden om dan de werkelijk zwakke broeders nog buiten de deur te houden.

Voor een gang van zaken als door Rifkind aangeduid is er een precedent. Toen Kohl voor de vraag kwam te staan hoe de na de val van de Muur aanzwellende migratie vanuit de Oostzone te stoppen, besloot de kanselier, tegen het dringende advies van zijn staatsbankier in, de harde D-mark in heel het zich herenigende Duitsland in te voeren. Politieke overwegingen gaven de doorslag.

Natuurlijk schiep de Duitse hereniging met al haar problemen een unieke toestand, die zich met weinig anders laat vergelijken. Maar opnieuw staat er voor Duitsland en voor de kanselier veel op het spel. Een mislukking van de EMUzou een hoop scherven achterlaten, schrijft de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ) in een commentaar. De achterliggende gedachte is dat de Europese eenwording op den duur niet zonder een politieke bovenbouw kan, dat het slagen van de EMU voorwaarde is en dat een mislukking het Europese concept op losse schroeven zet. Volgens de FAZ nadert Europa een historisch keerpunt, waar wordt beslist over zijn of niet-zijn.

Op het politieke Europa zijn heel wat wensdromen gericht. Die hangen samen met Europese en Atlantische visies op de verhoudingen in Europa in de toekomst. Er zijn, elkaar kruisende, nationale ambities. Voor de Bondsrepubliek is het Verenigde Europa het enige geloofwaardige kader waarin het nieuwe Duitsland zich verder kan ontwikkelen zonder voortdurend de argwaan van zijn buren op te roepen. De Fransen streven hetzelfde doel na, maar vanuit geheel andere premissen. Zijn verzwakte positie dwingt Frankrijk tot een samengaan waarin het de resterende attributen van zijn vroegere glorie zoveel mogelijk tot hun recht kan laten komen. De 'oriëntatie' van Neurenberg bijvoorbeeld brengt ten langen leste de Franse atoommacht in het spel als beschermer van Europa's levensbelang. Buiten een Europese constructie zou een dergelijke manoeuvre onaanvaardbaar zijn - want het Duitse afzien van het nucleaire wapen ongeloofwaardig maken.

De Amerikanen hebben van meet af aan een gespleten verhouding gehad met het concept van een verenigd Europa. De Koude Oorlog deed hen overhellen naar aanvaarding. Het herbewapende Duitsland werd ingebed in bondgenootschappelijke structuren. Duitslands militaire kracht kon zo zonder risico's ten bate van het Westen worden aangewend: tal van beperkingen van de Duitse soevereiniteit vormden daarvoor de garantie. Nu met de hereniging de Duitse soevereiniteit is hersteld, wordt het aantrekkelijk om die te laten opgaan in een nieuw verband, een verband bovendien dat de labiele toestand in Midden- en Oost-Europa blijvend kan helpen beheersen. Het Amerikaanse pleidooi voor een uitbreiding van de Europese Unie met territoir waar de NAVO niet kan gaan (de Baltische landen) toont ten overvloede de strategische betekenis van de voorgenomen renovatie en uitbouw van de bestaande Atlantische en Europese architectuur.

Het geheel wordt intussen vertroebeld door een kip-en-ei-discussie. Rondom de invoering van de euro wordt niet alleen een debat gevoerd over de vraag hoe hard de nieuwe munt kan of moet zijn, maar wordt ook geopperd dat een monetaire unie zonder een politieke bovenbouw geen kans van slagen heeft. Anders gezegd, eerst zal een werkbare politieke unie moeten worden totstandgebracht. Het probleem met die redenering is dat dit al eens is geprobeerd, maar door Nederland is tegengehouden. Begin 1962 stapte Nederland uit het desbetreffende overleg (de commissie-Fouchet) omdat de, gaullistische, contouren van die unie Den Haag niet bevielen.

Nu is er weer een lidstaat met bedenkingen tegen een politieke unie zoals voorgesteld. In de Zweedse hoofdstad vroeg minister Rifkind zich af waar de visie van kanselier Kohl en president Chirac voor verdere Europese integratie afwijkt van “een Verenigde Staten van Europa”, voor de Britten niet meer en niet minder dan een vertaling van het gehate f-woord. Fransen en Duitsers mogen om strijd roepen dat ze daar niet op uit zijn, in Londen worden zij dus niet geloofd. Politiek overleg en zelfs besluitvorming gaan de Britten niet uit de weg - zolang elk der lidstaten het laatste woord houdt.

In Maastricht is besloten dat de monetaire kosten voor de politieke baat zullen gaan. De overweging was dat het gemakkelijker zou zijn een monetaire dan een politieke kernploeg bijeen te brengen. Aangezien de Britten zich monetair noch politiek wilden binden, kwamen zij aan de zijlijn van de Europese integratie te staan. Vandaar roepen zij nu hun waarschuwingen. Op de keuze tussen tranen en scherven hebben zij intussen nauwelijks nog invloed. En dat is voor heel Europa een verlies.