JENNY TUIN 1923-1997; Ritmische taal

De eerste keer dat literair vertaalster Jenny Tuin op de voorgrond trad, was in de jaren zestig met haar vertaling De elzenkoning van Michel Tournier. De laatste maal zal eind dit jaar zijn met de postume verschijning van haar nieuwe vertaling van Marguerite Yourcenar Hadrianus' gedenkschriften.

In de ruim dertig jaar die daartussen liggen, heeft zij zich gemanifesteerd als een van de meest vooraanstaande vertalers van Franse en Italiaanse literatuur. Zij schroomde daarbij niet om een eerdere vertaling bij herdruk weer geducht te herzien, zoals bijvoorbeeld in het geval van Italo Svevo's befaamde Bekentenissen van Zeno en Yourcenars Het hermetisch zwart. Uit het Italiaans dienen verder genoemd te worden haar co-vertaling van Umberto Eco's De naam van de roos en haar aandeel in Pirandello's grote reeks Vertellingen van een dag. Uit het Frans vóór alles haar lange reeks vertalingen van Marguerite Yourcenar, met als grote werken Het hermetisch zwart, Archieven uit het Noorden en als bekroning straks het Hadrianus-boek, waarvan we dankbaar mogen zijn dat zij het heeft kunnen voltooien. Tevens vertaalde zij Savigneau's omvangrijke biografie van Yourcenar. Dat zij ook weg wist in het Duits, moge blijken uit haar vertaling van een werk als Canetti's Massa en macht.

In 1986 ontving zij voor haar vertalingen van Franse en Italiaanse literatuur de Martinus Nijhoff Prijs voor Vertalingen, waarbij die van Yourcenar en Svevo expliciet werden vermeld. De jury had tien jaar daarvoor, in '76, '77 en '78 een uitgelezen kans laten liggen door haar niet te bekronen voor haar prachtige vertaling van Yourcenars Het hermetisch zwart: de jury achtte in die drie jaren zelfs geen enkele Nederlandse vertaler de prijs waardig, en Jenny Tuin kon het terecht niet laten daar in haar geestrijke dankwoord van 1986 uitgebreid op terug te komen.

Doordat zij het laatste deel van het drieluik Le labyrinthe du monde aan mij overliet, heb ik me extra verdiept in het door haar vertaalde tweede deel, Archieven van het Noorden. Daar zette ik bijvoorbeeld op pagina 65 een bewonderend uitroepteken in de kantlijn bij een zin als deze: 'Die wat weke borsten, waterzakken gelijk, die plooien van de tors, die buik, misschien gerond door een begin van zwangerschap, die knieën met hun kuiltjes, doen denken aan de pafferigheid van rijzend deeg.' Wat zou daar staan in het Frans? Daar staat aan het eind: 'la boursouflure de la pâte qui lève'. Letterlijk: 'de gezwollenheid/pafferigheid van rijzend deeg'.

De vondst, hier en elders, van een beeldend woord als 'pafferigheid' tekent de kwaliteit van de vertaling. En als je dan op de Franse pagina ernaast ziet staan 'la boulimie de la matière chez Rubens', en je bent benieuwd wat Jenny Tuin daar in het Nederlands van heeft gemaakt, dan stemt 'de overdaad van de materie' opnieuw tevreden. Op de vraag waarom haar taal en haar taalritme zo fraai waren, heeft zijzelf eens het antwoord gegeven: “Omdat muziek mijn eerste passie was, fel en vasthoudend zoals elke vroege liefde.”

Pendelend tussen de Amsterdam en haar Italiaanse woning aan de Ligurische kust, waarin ook verscheidene van haar collega's hun vakanties doorbrachten, leefde zij als eenling haar leven, gesloten, op het stugge af, maar in haar werk alle warmte en toewijding leggend waarover ze maar beschikte. Haar nieuwjaarskaart van 1990 luidde: “Ik zwoeg momenteel aan Yourcenars Coup de grâce. Vind het beslist niet een van haar beste boeken en verdomd lastig te vertalen. Enfin, we houden moed!”