Het wonder van Clermont-Ferrand; Het internationale festival van de korte film

De korte film lijkt op sterven na dood, in de bioscopen en op de televisie speelt hij geen rol. Maar het genre is springlevend blijkt op Le festival du court métrage, het internationale festival van de korte film in Clermont-Ferrand. “Het lijkt alsof het ontbreken van zware financiële verantwoordelijkheden die bij de reguliere, lange speelfilm horen, het beste in de regisseurs naar boven brengt.”

Het festival eindigt morgen met de prijsuitreiking. Inlichtingen over volgend jaar: Sauve qui peut je court métrage; 00-33-473916573; 26, Rue des Jacobins, 63000 Clermont-Ferrand, France.

Het leukste van internationale filmfestivals is dat je in korte tijd véél films kunt zien. Het is de suggestie van direct contact met de tijdgeest: zien wat er leeft in alle uithoeken van de wereld, zowel artistiek als inhoudelijk. Wie het een beetje slim aanpakt kan op een festival als dat in Rotterdam toch wel zo'n vijf à zes speelfilms per dag aan zijn oog laten voorbijtrekken en dat een aantal dagen volhouden - totdat het opnemingsvermogen op tilt slaat, en al die prachtige films verworden tot een licht hallucinerende reeks beelden, waarvan de inhoud het brein niet meer bereikt.

Wie van véél films houdt, moet eens een bezoekje aan het Franse Clermont-Ferrand overwegen. Daar vindt ieder jaar, tegelijk met Filmfestival van Rotterdam, Le festival du court métrage plaats. Hoe korter de films, hoe meer je er kunt zien natuurlijk. Wie vier dagen lang zes uur per dag doorbrengt in het Maison des congrès et de la culture waar dit internationale festival van de korte film plaatsvindt, heeft toch al gauw zo'n zestig films gezien, het dag-maximum (bij twaalf uur filmkijken) ligt op ongeveer 36.

Voor eenzaamheid hoeft zo'n filmfanaat niet te vrezen: 1500 bezoekers aan het festival doen de gehele dag in de gigantische, bijna steeds geheel gevulde zaal van het Maison des congrès niets anders dan naar korte film kijken. Ook de voorstellingen elders in de stad, merendeels in collegezalen van de universiteit, worden druk bezocht. In acht dagen trok het festival van Clermont-Ferrand op deze wijze in 1996 110.000 bezoekers, voor een groot deel studenten en andere jeugdigen, die op ondubbelzinnige wijze van hun voor- en afkeuren blijk geven.

Iedereen klapt en zingt mee, als de Amerikaanse speelfilm Decade of love, een geestig verslag van een gespreksgroep van Disco Anonymous voor hen die geestelijk nooit afscheid hebben kunnen nemen van de disco-rage in de jaren zeventig, eindigt in het bevrijdende, nog één keer dansen op 'YMCA' van de Village People. Een langdradige scene in een andere film met veel wind die door een bos giert, wordt door velen in het immense auditorium door eigen gierende geluiden begeleid.

Uit het applaus na afloop blijkt een duidelijke voorkeur van het publiek voor iets humoristisch: wat dat betreft gooit de Nederlandse film Groovemasters van Brian Meijers - over mannetjes binnen een draaitafel die dit verouderde apparaat aan de gang houden - in Clermont-Ferrand dit jaar hoge ogen. De Franse film La bouche de Jean-Pierre (De mond van Jean-Pierre) echter, een zeer beklemmende, en naar mijn smaak prachtige speelfilm over seksueel misbruik van kinderen, werd slechts met een mager applaus beloond. 'Al te deprimerend', luidde het gemopper bij het geschuifel naar de zaaluitgang.

Na een voorstelling of wat - zeventig Franse en zeventig buitenlandse korte films van tussen de drie en dertig minuten worden in Clermont-Ferrant gegroepeerd in voorstellingen van steeds twee uur - ga je dit gevarieerde bad van beelden en ideeën al wat gewoon vinden. Maar eigenlijk is het een wonder wat hier gebeurt in de hoofdstad van de Auvergne-streek, die de rest van het jaar niet gekenmerkt wordt door overdadig vertier.

De korte film is immers een genre waarvan je zou kunnen aannemen dat het op sterven na dood is. De tijd dat een zichzelf respecterende bioscoop de hoofdfilm vooraf liet gaan door een journaal, een korte film en in de grotere theaters eventueel nog een tweederangs jongleur, ligt immers ver achter ons. Zeker, je hoort nog wel eens dat er korte films gemaakt worden: afstudeerprojekten op filmacademies en dergelijke, meestal eenmalig vertoond in besloten voorstellingen, of min of meer educatieve projekten bij de televisie. Maar dat je korte films op een professionele manier geprojecteerd ook in een zaal zou kunnen zien, dat grenst eigenlijk aan het ongelofelijke. Laat staan dat je als filmkijker zou kunnen bevroeden hoe het niveau van al die produkten is, internationaal gezien.

Nu, dat niveau ligt buitengewoon hoog - zowel in Frankrijk als daarbuiten. Het lijkt soms alsof het ontbreken van zware financiële verantwoordelijkheden, verbonden met het maken van een reguliere speelfilm van anderhalf uur of meer, het beste in de regisseurs naar boven brengt - en niet meer dan dat: niemand hoeft zijn idee op te rekken tot anderhalf uur. Het is ook veel films aan te zien, dat hun veelal jonge makers hopen dat de korte film de springplank zal vormen tot een carrière bij de reguliere, langere speelfilm. Dit streven al het esthetisch, verhalend, engagerend en amuserend talent samen te ballen in speelfilms van soms slechts enkele minuten, geeft aan de programma's van het festival iets spannends.

Speelfilms, inderdaad, want daaruit bestaat zeker negentig procent van het aanbod in Clermont-Ferrand. De sporadische documentaires komen meestal van ver: Golez menzel (Huis van de veehouder) van de Iraanse regisseur Farshad Fadai'an bijvoorbeeld, een prachtig portret van een geïsoleerd wonende boerenfamilie. Incidenteel kent het festival nog wel eens een animatiefilm, zoals Many happy returns van de Britse Marjut Rimminen, waarin een ongelukkig vrouwenleven wordt verteld aan de hand van een ingenieuze verweving van poppen en oude foto's. Vormexperimenten, die je met korte film en jonge filmmakers zou kunnen associëren, ontbreken vrijwel volledig in Clermont-Ferrand. Een van de weinige uitzonderingen is de Zwitserse balletfilm Reines d'un jour (Koninginnen voor een dag), waarin op adembenemende wijze de dans wordt geïntegreerd in het Zwitserse berglandschap en het leven van de lokale boerenbevolking.

Nee, speelfilm moet het zijn bij de jonge filmmakers. Zoals The bloody olive (De bloedige olijf) van de Vlaming Vincent Bal, een zeven minuten durende detective met tiendubbele bodem, en een van de grote successen bij het publiek in Clermont-Ferrand. Of de Australische film Down, Rusty, down (Zit, Rusty, zit) van John Curran, waarin acteurs zich letterlijk als honden gedragen. Of Cleveland Woods last day on earth (Cleveland Woods laatste dag op aarde) van de Canadese Andrew Ainsworth: een moeder huurt een juffrouw van de striptease-felicitatiedienst, in een poging haar zoon zodanig op te beuren dat hij afziet van zijn voornemen op z'n 30-ste verjaardag zelfmoord te plegen. Dat mislukt, maar moeder heeft zelf veel steun aan de stripper en de pooierachtige figuur die haar begeleidt.

Zelfs documentaire gegevens worden veelal op ingenieuze wijze in een verhaalstructuur verpakt. 81 van Stephen Burke is een Iers portret van een katholieke- en een protestante familie in Dublin ten tijde van de hongerstaking en hongerdood van Ira-lid Bobby Sands (in 1981), maar geconcipieerd als het verhaal van een beetje domme Franse televisieploeg, die probeert een schrijnende reportage te maken. Small fictions (Kleine verhaaltjes) van de Australische Jenni Robertson gaat eigenlijk over hoe belachelijk mannen er naakt uitzien, maar de waarnemingen worden verpakt in het verhaal van een groepje fotograferende, gniffelende vriendinnen.

De neiging documentaire als speelfilm te bedrijven blijft niet beperkt tot de Westerse wereld. Vakthang Kuntsev-Gabashvili uit Georgië plaatst in Dilis romansi (Ochtend-romance) zijn acteurs als verkopers op een authentieke vlooienmarkt in Tibilisi. De cyclische transacties die zich tussen hen afspelen vormen een indrukwekkend beeld van uitzichtloze armoede. Opmerkelijk is ook Si longue que soit la nuit (Hoe lang de nacht ook is) van Guy Désiré Yameogo uit Burkina Fasso: een groepje jeugdige voetballers komt bij toeval op het spoor van een zwakzinnige jongen, die door zijn rijke, in Westerse stijl levende ouders is verstoten omdat zo'n vieze gek niet in hun lifestyle past.

Televisie

De afwezigheid van experimentele films kan mede worden verklaard uit het feit dat vormexperimenten tegenwoordig veelal niet meer op 16 en 35 millimeter-film, maar op video worden gedraaid. En daaraan doet Clermont-Ferrand niet - vertelt Antoine Lopez, een van de oprichters en directieleden van het festival. Voor experimentele- en documentaire films zijn er bovendien in Europa andere festivals, zodat Le festival du court métrage zich met een gerust geweten aan de korte speelfilm kan wijden.

Het festival bestaat nu negentien jaar, en sinds negen jaar is er ook een internationale competitie. Europa's grootste festival voor korte films is ooit begonnen als een week van de Franse korte film aan de universiteit van Clermont-Ferrand, een van de vier filmweken die men placht te organiseren.

Het festival wil ook een militante verdediging van de verdrukte korte film zijn. Niet voor niets heet de organiserende stichting Sauve qui peut le court métrage (Alle hens aan dek voor de korte film). De beste verdediging is om te laten zien hoe mooi, boeiend en leuk veel films zijn. Financieel kan het festival niet veel voor de filmmakers doen, slechts een enkeling kan door de ruim twintig prijzen die er worden vergeven misschien zijn schulden betalen, of een begin maken met de financiering van de volgende film. Aan het festival is ook een markt verbonden, die zich vooral richt op de verkoop van films aan televisiestations.

In Frankrijk bestaat een agentschap voor de verspreiding van korte films in zalen (L'agence du court métrage) dat bijna 250 Franse bioscopen, meestal kleine theaters met het predikaat art et essai wekelijks voorziet van een korte film voor het voorprogramma. Maar de commerciële toekomst van de korte film moet niet in zalen worden gezocht, denkt Lopez, maar bij de televisie, waar door de wonderbare vermenigvuldiging van tv-kanalen in het digitale tijdperk de behoefte aan beeldmateriaal enorm toe zal nemen. De Franse filmzender Canal+ is niet voor niets hoofdsponsor van het festival. Tot deze stralende toekomst daadwerkelijk aanbreekt, zal het maken van korte films toch veelal een kwestie van allerlei subsidiepotjes en coprodukties blijven: de lijst met credits en bedankjes aan financiers aan het eind van de meeste korte films doet in lengte zeker niet onder voor die bij reguliere speelfilms.

Er is nog een reden om de korte film in ere te houden, meent Lopez: “de korte film is de wieg van de speelfilmindustrie: gaat het goed met de korte film, dan kan de rest van de filmwereld daarvan profiteren”. Is die stelling correct, dan gaat Frankrijk, het laatste land in Europa met een omvangrijke filmindustrie, gouden tijden tegemoet. Want de zeventig Franse films op het festival - door een speciale commissie geselecteerd uit een totale Franse jaaroogst van vierhonderd - doen in kwaliteit zeker niet onder voor het internationale aanbod.

In thematiek is bij de Franse korte film wel van een zekere eenzijdigheid sprake: het wemelt van films die in de grauwe, multinationaal bevolkte voorsteden spelen. Het is alsof het succes van La haine van Matthieu Kassovitz vorig jaar menigeen op een idee heeft gebracht. Toch worden binnen dit genre soms grote hoogten bereikt: Tout doit disparaître (Alles moet weg) van Jean-Marc Moutot gaat over de gewetensbezwaren van arme drommels die zwartwerkend andere arme drommels wegens huurachterstand uit hun huis zetten; Charles Péguy au lavamatic (Charles Péguy in de wasserette) over zwarte kindertjes die hun huiswerk 's ochtends vroeg in de wasserette doen. Péguy's gedicht over de kastelen langs de Loire, dat zij voor dag en dauw geheel uit het hoofd kunnen opzeggen voor de andere bezoekers aan de wasserette, zijn ze even later in de klas vergeten.

Gelukkig zoeken niet alle Franse filmmakers van de toekomst hun heil in het beton van de sociale woningbouw. Er zijn relatiekomedies: in Les années indigestes (De overteerbare jaren) van Ivan Calbérac pleegt een bedrogen meisje zelfmoord in een wrekende videoboodschap. Satire op het burgerleven: Bien sous tous rapports (Correct onder alle omstandigheden) van Marina de Van gaat over een gezin, zo keurig, dat zelfs de fellatio er nog aan strenge regels van wellevendheid en goede smaak is onderworpen. En een van de mooiste films van het festival is een zeer poëtische, zich aan elke mode onttrekkende bewerking van het Roodkapje-verhaal, Le dernier chaperon rouge (De laatste Roodkapje) van Jan Kounen.

Net als bij andere festivals slaat op een bepaald moment de verzadiging toe. Ik had het na tachtig: je wordt cynisch, je laat je niet langer verwonderen. Frustrerend is dat dan, om te zien hoe zes keer per dag 1500 anderen, die dat punt nog niet hebben bereikt, naar binnen gaan en na twee uur weer enthousiast naar buiten komen. De hoorn des overvloeds levert verder vruchten, maar niet meer voor jou. En het ergste is dat al dat moois bijna nergens anders meer te zien is: is Clermont-Ferrand voorbij, dan verdwijnt de korte film weer goeddeels in de onzichtbaarheid.