Gespleten zuiderburen

Denise van Dam: Blijven we buren in België? Vlamingen en Walen over Vlamingen en Walen. Van Halewyck (distributie in Nederland Jan Mets)

207 blz. ƒ 34,90

Hoe denken de Walen en de Vlamingen over elkaar? Welk zelfbeeld hebben de bewoners van de twee buurregio's? En hoe staan ze tegenover het land dat ze samen bewonen en tegenover de manier waarop dat land bestuurd wordt? In Blijven we buren in België? probeert Denise van Dam aan de hand van een honderdtal gesprekken met Waalse en Vlaamse 'topfiguren' uit de verschillende maatschappelijke sectoren, een antwoord op die vragen te krijgen. Van Dam is een jonge Vlaamse sociologe aan de universiteit van Namen.

Ze heeft het zichelf, en ook de lezer, niet gemakkelijk gemaakt. Ze situeert het door de ondervraagden gebezigde discours binnen de typologieën van de sociologie. Bovendien krijgt de lezer slechts een concentraat, een richting, van de interviews voor ogen. Zelfs aangaande de representativiteit van het staal topfiguren missen we een verantwoording in de inleiding en moeten we vertrouwen op de goede trouw van de wetenschapster.

Hiertegenover staat dat de ondervraagde prominenten alleen de onschuldige cliché's overeind hebben gelaten. En dat is waarop Vlamingen hebben gewacht. Want op wat onderwereldfiguren, rechters, politici en een handvol sportlui na, kennen we die de Walen niet. Van Dam zelf hecht veel belang aan het zelfbeeld van de historische minderheids- en meerderheidsposities die twee groepen hebben ervaren. Een groep kan een objectieve minderheidspositie bekleden, maar zich subjectief een minderheid voelen. Van Dam wijst erop dat in het verleden zowel Walen als Vlamingen, soms zelfs op hetzelfde tijdstip, de indruk gehad hebben in een minderheidspositie te verkeren ten opzichte van de andere groep. Wallonië spreekt bijvoorbeeld van l'etat Belgo-Flamand. Dat alles heeft geleid tot een bitse houding bij beide partijen, in het geval van de Vlamingen gepaard gaande met een ophemeling van de eigen groep.

Uit het boek blijkt dat Walen zich in het defensief gedrongen voelen. Dat leidt tot een ambivalente houding. De Walen bewonderen de eonomische bloei, erkennen de vruchten van de Vlaamse strijd (ontplooïng en zelfbewustzijn) maar ze zijn beducht voor een opgeklopte Vlaamse identiteit.

Die defensieve identiteit blijft echter bestaan. Als een rode draad lopen door het hele boek de spijtbetuigingen aan beide kanten dat men de buur zo slecht kent. Men bekent partners te willen worden, die elkaar qua economische mogelijkheden en qua talent zouden complementeren. Maar de Walen vrezen wel het communautair racisme van de Vlaamse identiteit. Op zich zijn ze geen tegenstander van federalisme, omdat ze geloven dat dit een vredebrengende factor is. Wel keuren ze het anti-Waalse karakter af van het federalisme in Vlaanderen. Zij hebben de indruk dat zij nog steeds de zondebok zijn voor de Vlaamse onderdrukking van weleer. Dat het, op zich verklaarbare revanchisme van het na 1945 geëmancipeerde Vlaanderen zich tegen Wallonië heeft gekeerd, is unfair. Want terwijl de Vlamingen bepaalde rechten ontzegd werden door de eigen Franstaligen, wist Wallonië zich gekoloniseerd door door het Brusselse financieel establishment, de Société Générale.

Volgens de Walen ligt daar zelfs de oorsprong van het linkse karakter van de Waalse Beweging. In Vlaanderen ontwikkelde de strijd tegen de bazen en tegen Brussel zich tot een nationalistische taalstrijd. Wallonië verdedigde zich met stakingen en klassenstrijd. Vlaanderen reageerde met de opleiding van een eigen elite, Walen kregen juist een afkeer van elites.

Vandaag bezit Vlaanderen een economische voorsprong op Wallonië. Volgens het cliché wordt dit toegeschreven aan de werkkracht van de Vlaming. Er bestaan onmiskenbaar Vlaamse trekken die men als de psychische voorwaarden ervoor kan beschouwen. Komt die legendarische arbeidsethiek voort uit volgzaamheid? Iemand legt het verband tussen de flexibiliteit van buitenlandse investeerders en het Vlaamse minderwaardigheidsgevoel, het gebrek aan durf om zichzelf te zijn. De Vlaming bezit weinig persoonlijkheid. Daarom past hij zich aan, komt hij zelden voor de dag met gewaagde ideeën, tegendraadse projecten. Hij is de hobbit onder de volkeren. Zie, zo vinden kritische Vlamingen, hoe sociaal aanvaardbaar hij meedobbert op de stroom van materialisme en neo-liberalisme. Volgens anderen is die werklust juist in gevaar. De nieuwe generatie teert op de opbrengsten van de vorige. Vlaanderen rust op zijn lauweren. Vlamingen dreigen hun meertaligheid te verliezen terwijl in Wallonië de kennis van het Nederlands sterk verbetert.

Een belangrijk gedeelte van de vooraanstaande Vlamingen, merkt Van Dam op, is een zekere decadentie dus niet vreemd. Onrust over de economische toekomst gaat daarbij hand in hand met bezorgdheid over de teloorgang van de Vlaamse identiteit. Blijkbaar is er in Vlaanderen een verband tussen ondernemersdynamiek en uitgesproken vlaamsgezindheid. Juist bij de economische elite ontwaar je heimwee naar de pioniers van de Vlaamse Beweging en een exclusieve bewondering voor de Vlaamse cultuur. Dat is de opmerkelijkste conclusie uit dit boek.