Gebruik en rol media in proces onder vuur

DEN HAAG, 7 FEBR. De vaste Kamercommissie voor Justitie wil opheldering van minister Sorgdrager over het actieve pr-beleid van het openbaar ministerie in het proces rond 'de Hakkelaar'. Voor de duur van het proces huurde het OM pr-adviseur Dig Istha in tegen een vergoeding van 3.250 gulden per dag. VVD-Kamerlid Korthals noemde dit gisteravond in het tv-programma Netwerk “onzinnig” en “duur”.

Vier rechtsgeleerden van de Katholieke Universiteit Nijmegen kritiseren juist de advocaten in het proces. Zij schrijven vandaag in het universiteitsblad KU-Nieuws dat Spong, Doedens en vader en zoon Moszkowicz het proces hebben misbruikt om hun naamsbekendheid te vergroten. Y. Buruma, voormalig adviseur van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, vond dat Spong te ver ging toen hij in Nova met een plastic octopusje zat te spelen “Omdat ik dacht dat hij daarmee de tegenpartij belachelijk wilde maken”. Volgens P. Tak, specialist op het gebied van kroongetuigen, hebben de media zich “danig voor het karretje laten spannen” van deze raadslieden. Hij vindt dat vooral Telegraaf, de actualiteitenrubriek Nova en de Evangelische Omroep veel gedaan hebben om de zaak voor het OM “onderuit te halen”.

De wetenschappers verwachten dat het theater in de rechtszaal gaat toenemen na het proces tegen Johan V. Zij vinden dat niet wenselijk. “De rechtsgang verhardt wanneer de partijen zich als vechtersbazen gaan gedragen.” Volgens Buruma gaat dit ten koste van “de arme, onbekende sukkel in de rechtszaal”, die daardoor een hogere straf krijgt dan noodzakelijk is.

De Leidse hoogleraar H. Franken meent dat de media er juist toe bijdragen dat een rechter soms ten onrechte geen of een te lage straf oplegt. “Ik wil waarschuwen voor een nieuwe vorm van klassejustitie: de troetelkinderen van de media komen er steeds goed vanaf”, aldus Franken vandaag in een rede over de onafhankelijkheid van de rechter, uitgesproken ter gelegenheid van de 422ste dies natalis van de Leidse universiteit. Hij vindt dat de media de rechter moeten “helpen bij zijn onpartijdige en onafhankelijke oordeelsvorming” door “terughoudendheid” te betrachten zolang een zaak onder de rechter is.