Franse intellectuelen en de Eerste Wereldoorlog; Gewapend met woorden

Martha Hanna: The Mobilization of Intellect. French Scholars and Writers during the Great War. Harvard University Press, 292 blz. ƒ 80,05

Christophe Prochasson & Anne Rasmussen: Au nom de la Patrie. Les intellectuels et la première guerre mondiale (1910-1919). Editions la Découverte, 303 blz. ƒ 61,50

Oorlogen worden gevoerd met twee soorten geschut: kanonnen en clichés. De Eerste Wereldoorlog is in dit opzicht exemplarisch. Zowel in Duitsland als in Frankrijk bestookten wetenschappers, journalisten en kunstenaars over de hoofden van de frontsoldaten heen, het geestelijk erfgoed van de tegenstander in niet altijd even subtiele termen. De strijd tussen 'Kultur' en 'Civilisation', broeiend sinds de Napoleontische tijd, kreeg verbeten trekken.

Op 4 oktober 1914 publiceerde het Berliner Tageblatt een vlammend manifest dat ondertekend was door 93 vooraanstaande Duitse geleerden en kunstenaars. In hun 'Oproep aan de beschaafde wereld' verdedigden zij het Duitse militarisme als een noodzakelijke bescherming voor de cultuur van Goethe, Beethoven en Kant. Verontwaardigd wezen zij daarin beschuldigingen van de hand aan het adres van het Duitse leger, dat barbaars zou hebben huisgehouden in België en Noord-Frankrijk.

De reactie was fel, internationaal en kwam uit verschillende politieke hoeken. Geschokt door het gebrek aan kritische afstand in het manifest zocht men in het Duitse cultuurbegrip naar de oorzaak van deze dienstbaarheid aan de oorlogsinspanning. Kop van Jut was allereerst de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804). 'De moeder van alle schandelen uit de moderne geschiedenis', zo typeerde de Franse monarchist Léon Daudet diens 'categorische imperatief'. Maar Daudet nam met Kant behalve de Duitse Keizer ook de Franse Republiek op de korrel. In het kielzog van Charles Maurras, van wiens ultra-rechtse Action française hij lid was, trok Daudet een lijn van Luther via Kant naar de Franse Revolutie, dan via de nationalistische filosoof Fichte tot aan de 'Pruisische' agressie van het moment. Daudets genealogie van het machtsdenken moest bewijzen dat de kiem van alle kwaad puur Duits was, maar dat de Republiek die op Franse bodem had uitgebroed.

Categorische imperatief

Daudets reactie wordt beschreven door de Amerikaanse historica Martha Hanna, die in The Mobilization of Intellect de stemming in Frankrijk onder monarchisten, katholieken en Republikeinen analyseert. Zij wijst met nadruk op de politiek gekleurde vervorming in het monarchistisch gekift op Kant; van een filosofische discussie was geen sprake. Dezelfde verdraaiing onderkent ze in de katholieke aanval op Kants ideeën. Zodra de mens beschouwd wordt als maatstaf van het universum, zo redeneerde Jacques Maritain in 1915 in het dagblad La Croix, kan alles worden goedgepraat. Zelfs verwoesting van een buurland. Dit was een grove vertekening van Kants moraal, zegt Hanna terecht. De 'categorische imperatief' eist juist gewetensvol onderzoek naar de fundering van het menselijk handelen. Onderneem niets, aldus Kant, wat niet strookt met universele wetten. Maar de Franse katholieken en monarchisten hadden een appeltje te schillen met de Republiek en bekommerden zich niet om zulke details.

Duidelijk wordt hoe achter de façade van de 'union sacrée', een coalitie van nationale eenheid waarin ook socialisten zitting hadden, het oude conflict tussen 'Republiek' en 'Ancien Régime' weer opflakkerde. Deze diepe kloof uit de tijd van de Franse Revolutie speelt Frankrijk parten in elke ernstige politieke crisis. In 1914 werd deze tweespalt geprojecteerd in een gespleten beeld van Duitsland. Royalisten en katholieken waren het in feite eens met het Duitse manifest op het punt van de eenheid van de Duitse cultuur: Kant was even funest als het gehate Duitse militarisme. Voor republikeinse filosofen als Emile Boutroux en Victor Basch, of voor Alphonse Aulard, historicus van de Franse Revolutie, was het Kantiaanse erfgoed echter te stevig vergroeid met de republikeinse traditie. Niet Kants Duitsland was in hun ogen verantwoordelijk voor de 'Teutoonse' agressie, maar het 'andere' Duitsland, dat van Fichte en Hegel, het Duitsland van het pan-Germanisme en het idee van de ontembare autonome staat. Zo, concludeert Hanna, ondersteunden ook deze gematigde intellectuelen de oorlogsinspanning tegen de oosterbuur; niet als rabiate nationalisten, maar als patriotten op de bres van het cosmopolitische gedachtegoed van de Franse Revolutie en Kant.

Dit is nu precies waar het Hanna om gaat. Zij stelt dat de intellectuele produktie aan het thuisfront, karikaturaal of conflictueus, een positief effect had in de loopgraven. De verbale artillerie achter de linies functioneerde volgens haar als steun in de rug voor de militaire kaders, die verantwoordelijk waren voor het moreel van de troepen. Sceptici als de filosoof Alain (Emile-Auguste Chartier, 1868-1951) zouden uitzonderingen zijn geweest. Alain, pacifist ten tijde van Hitler, maar in 1914 vrijwillig aan het front, had niets dan minachting voor het papieren tromgeroffel over 'civilisation' en 'patrie'. Soldaten zijn bereid zich dood te vechten voor een kameraad, wist hij, of voor een geliefd officier, maar niet voor holle termen uit de pen van demagogen.

Alains positie mag extreem lijken, het was geen commentaar van de zijlijn zoals dat van zijn Parijse collega's of, met een tegenovergestelde boodschap, dat van de schrijver Romain Rolland. Rolland, twee jaar ouder dan Alain, was in Zwitserland toen de oorlog uitbrak. Hij bleef er en startte in het Journal de Genève een serie scherp-kritische artikelen, in 1915 gebundeld onder de titel Au dessus de la mêlée. Een titel die Hanna letterlijk neemt: Rolland stond boven en buiten de strijd en telt dus niet. Ze noemt hem nauwelijks en waar ze dat wel doet enkel in negatieve zin. Haar gebrek aan begrip voor Rollands stellingname tegen de oorlog maakt haar blind voor het feit dat Rolland zich na 1918 anders ontwikkelde dan Alain. Terwijl de laatste in de jaren dertig koste wat het kost vrede wilde, een pax hitleriana eventueel, pleitte Rolland voor vastberadenheid, zonodig een nieuwe oorlog.

Revitalisering

Curieus genoeg komt Rolland niet beter uit de verf in het boek van de Franse historici Prochasson en Rasmussen. Met al hun sympathiserende aandacht voor pacifistische krantjes en groepjes, slaan ze de plank finaal mis met hun typering van de centrale ster in dit stelsel. Rolland, volgens hen de eerste 'dissident' in de huidige betekenis van het woord, zou een 'anti-humanist' geweest zijn, meer ontzet over de verwoesting van kunstwerken dan over het massale verlies aan levens. Niets was minder waar. Rollands felle protest na het Duitse bombardement van de kathedraal van Reims - symbool bij uitstek van de Franse eenheid - was niet heviger dan zijn wroeging over de heroïsche dood van de jonge soldaten. Wroeging, want Rolland achtte zich mede-verantwoordelijk voor hun offer. In Quinze ans de combats (1935) memoreert hij de aanleiding tot het schrijven van Au dessus de la mêlée: een brief van de moeder van een gesneuvelde frontsodaat die vertelt over de kracht die haar zoon geput had uit Rollands werk. Bitter verwijt Rolland het zich enthousiasme gekweekt te hebben zonder de juiste weg te wijzen. Je moet erg snel lezen om hier anti-humanisme uit te halen.

Haast heeft helaas meer sporen gelaten in het werk van Prochasson en Rasmussen, een broddellap vergeleken bij het strak gestroomlijnde boek van Hanna. Het lezen vordert moeizaam onder de aanhoudende lawine van namen: een rommelige organisatie, slordige citaten en soms irritant sarcasme maken het de doorzetter niet makkelijker. Dat is jammer, want inhoudelijk is het boek een mooie aanvulling op dat van Hanna. Waar de Amerikaanse haar blik vooral richt op het rechtse blok, onderzoeken de Franse auteurs de randjes en rafels van politiek links. Ook betrekken zij, naast schrijvers en wetenschappers, kunstenaars in hun betoog. De vraag of vruchten van pen of penseel morele steun hebben betekend aan het front komt niet aan de orde; integendeel, de auteurs zijn monolitisch negatief over het gebrek aan kritiek in de oorlogscreaties.

Het gaat Prochasson en Rasmussen om iets anders, namelijk om het invoegen van de jaren 1914-1918 in een langere periode van culturele ontwikkeling. De oorlog betekende geen breuk volgens hem, maar belichtte aanwezige tendenzen die, verhevigd door het conflict, de kleur zouden bepalen van de na-oorlogse artistieke en intellectuele productie. Het tijdvak is voor een dergelijke studie wellicht te krap genomen (1910-1919), maar de these is aanvaardbaar.

Propagandapers

De auteurs beginnen met een schets van het ruim voor 1914 oplevende nationalisme en katholicisme in Frankrijk. Ergernis over de democratie groeit hand over hand en jongeren, volgelingen van zowel Maurras als Proudhon, roepen om een nieuw elan en een revitalisering van cultuur en politiek. Prochasson en Rasmussen laten zien dat deze gewoonlijk als 'rectionair' beschouwde periode markante linkse trekken had. We maken kennis met een reeks vriendenkringen rond de talloze linkse tijdschriften die vlak voor de oorlog als paddestoelen uit de grond schoten. L'Effort, opgericht in 1910 door de socialistische schrijver Jean-Richard Bloch (twee jaar later omgedoopt tot L'effort libre) zocht bijvoorbeeld naar de principes van een revolutionaire kunst die tegelijkertijd zou aansluiten bij de behoeftes vn het volk en bij die van de natie.

De nationale gevoeligheid van de groep rond dit blad had niets gemeen met het chauvinisme van een Maurras of een Daudet. Maar de merkbare wrevel van Prochasson en Rasmussen tegenover elk soort vaderlandslievendheid, versterkt door hun expliciete walging van de oorlog, vertroebelt soms hun verslag. Het klopt dat Jean-Richard Bloch na 1919 het begrip 'vaderland' kritisch onder de loep nam. Maar het is anachronistisch en neerbuigend om zijn militair engagement te beschouwen als geïnspireerd door 'patriottische vooroordelen'. Bevreemdend is bovendien de directe koppeling van deze 'vooroordelen' aan de wortels van Bloch in een joodse familie uit de Elzas. Twee dingen worden hier gesuggereerd: het patriottisme van de joden die in 1870, na de Duitse annexatie van Elzas-Lotharingen, voor Frankrijk geopteerd hadden zou op 'vooroordelen' berusten, en deze hechte band met de Franse Republiek zou een typisch joods trekje zijn.

In feite reageerde Jean-Richard Bloch op dezelfde manier als Lucien Febvre, niet-jood, en later bekend als mede-oprichter van het geschiedenistijdschrift de Annales. Beiden vochten een in hun ogen rechtvaardige oorlog ter verdediging van hun land. Beiden wisten dat de propagandapers gevoed werd met leugens en hype. Maar kritiek was er voor later. 'Alles op z'n tijd', antwoordde Bloch de pacifist Pierre Jean Louve, die vanuit Zwitserland daar vast mee begonnen was. En Febvre kon razend worden als zijn vrienden hem koel voorrekenden dat Frankrijk er slecht voorstond; optimisme was broodnodig voor het zwaar beproefde moreel en van doortimmerse analyses werd hij niet vrolijker. Febvre 'voelde aan zijn likdoorns' dat Frnakrijk ging winnen en daarmee uit.

Fysiek inzetbaar

Met een term als 'vooroordeel' lijken Prochasson en Ramussen te willen bepalen wie de 'juiste' instelling had in 1914, Jean-Richard Bloch (en Febvre) of Romain Holland. Het op die manier ventileren van een ideologische voorkeur slaat de deur naar het verleden ruw dicht. Rolland was op dit punt subliem. Hij schreef Jean-Richard Bloch dat ze zich elk van beiden 'aan een andere kant van de waarheid' bevonden.

Dezelfde ideologische voorkeur - en dit is geen paradox - creëert ook begrip. De positieve weerklank in pacifisctische kringen van de Oktoberrevolutie van 1917 moet niet te snel als naïef worden afgedaan, vinden Prochasson en Rasmussen, en zeker niet verward worden met de slaafse trouw aan Moskou van de Franse communisten, een nieuwe formatie vanaf 1920. Wat volgt is een interessante discussie 2. Voor de filosoof Michael Alexandre, leerling van Alain, bleef geweld verwerpelijk, of dat nu in de loopgraven of op de barricades werd gepleegd, maar het elan van de verarmde Russische bevolking dwong respect af. De autoritaire methoden van de Bolsjewieken leken hun nauwelijks geschikt voor import, maar tenminste, dacht hij, hield de Revolutie een belofte in van duurzame vrede. Een belofte die de Franse politiek met harde voorwaarden van het Verdrag van Versailles (1919) in rook had doen opgaan.

In hun conclusie smelten de auteurs 'dissidenten' als Romain Rolland en de intelligentsia uit de loopgraven samen tot het prototype van de intellectueel van de toekomst: geen pure pennenlikker maar fysiek inzetbaar, zoals tijdens de Spaanse burgeroorlog. Zou het? Of was Lucien Febvre meer karakteristiek voor deze groep? Met andere wetenschappers en schrijvers verlegde Febvre, koud terug van de strijd, het front naar zijn vakgebied. De kritiek die Febvre jarenlang had ingeslikt, barstte nu los. “Geschiedenis die een bepaalde zaak dient is onvrije geschiedenis”, hield hij in 1920 zijn studenten voor. Kritisch onderzoek van ideeën, het ontleden van clichés en het stukslaan van voorgebakken formules, dat alles hoorde in zijn ogen tot de verantwoordelijkheid van historici. Dat doet het nog steeds. Net als keuzes durven maken en risico's nemen.