Eenduidig beleid inzake methadon in cel ontbreekt

ROTTERDAM, 7 FEBR. Binnen een jaar zijn drie verslaafde gevangenen naar de rechter gestapt om toediening van (een hogere dosis) methadon te eisen. In twee gevallen beoordeelde de Haagse rechtbankpresident de eis als rechtvaardig. In het derde geval, dat eerder deze week diende bij de rechtbank van Amsterdam, volgt de uitspraak over een week. Deze verslaafde wil dagelijks 120 milligram methadon, in plaats van de 50 die de gevangenisarts hem voorschrijft. Door de lagere dosis zou hij onder meer geen eten kunnen binnenhouden en veel pijn lijden.

Achtergrond van dit golfje aan rechtszaken is het ontbreken van centraal beleid voor verslavingszorg in gevangenissen. Het ministerie van Justitie rekent dit niet tot zijn taken, de afzonderlijke gevangenisdirecteuren moeten zelf bepalen wat te doen met verslaafde gevangenen - naar schatting de helft van de 12.000 Nederlandse gevangenen. Zij delegeren dit aan hun medische dienst, aangevoerd door de inrichtingsarts. Dit weinig begeerde deeltijdbaantje voor huisartsen wordt vaak halfslachtig uitgevoerd, zo blijkt uit een rapport van de commissie-Van Dinter twee jaar geleden. Veel gevangenisartsen vertonen zich nauwelijks in de inrichting, geven niet of slecht leiding aan de verpleegkundigen en ontberen noodzakelijke kennis over verslaving en stress door opsluiting. Elke arts voert zijn eigen beleid, ook bij de verstrekking van medicijnen waaronder methadon.

De relatie arts-gevangene is kwetsbaar. Formeel hebben gevangenen recht op vrije artsenkeuze, maar in de praktijk zijn ze volledig aangewezen op de gevangenisarts. Omgekeerd zetten gevangenen artsen soms onder grote druk om middelen voor te schrijven waarvan zij zich beter gaan voelen. Begrijpelijkerwijs willen artsen zich niet voor dat karretje laten spannen. Van belang is echter dat de zorg geen inzet wordt van deze touwtrekkerij.

Dat dit soms wel gebeurt bleek twee jaar geleden bij de dood van de verslaafde gevangene Marcel H. Hij stierf in de Drentse gevangenis Norgerhaven aan onbehandelde tuberculose. Zijn klachten - hij kon al weken niet meer lopen, at niet en was incontinent - werden door de medische dienst afgedaan als 'normale verslavingsverschijnselen'. Een rapport van de Nationale Ombudsman verweet arts, directie en personeel van Norgerhaven ernstige nalatigheid.

Onder meer naar aanleiding hiervan drong de commissie-Van Dinter aan op duidelijke richtlijnen van het ministerie van Justitie. Dit heeft tot nu toe slechts geresulteerd in een vrijblijvende 'handreiking' voor methadonverstrekking door gevangenisartsen. Bij langdurig verslaafde en psychiatrisch gestoorde gevangenen met een verslaving moet volgens deze handreiking de 'onderhoudsbehandeling' met methadon worden voortgezet.

De invloed van deze handreiking is beperkt. Formeel heeft het ministerie van Justitie geen enkele zeggenschap over de gevangenisartsen. De arts van de Amsterdamse gevangene die nu voor de rechtbank meer methadon eist, gaf deze gevangene ondanks zijn zeer lange verslaving (25 jaar) veel minder dan 'buiten'. Tot Justitie meer vat krijgt op deze situatie, bijvoorbeeld door de werving en scholing van gevangenisartsen drastisch te verbeteren en beleid te ontwikkelen voor verslavingszorg in gevangenissen, zullen er nog heel wat rechtszaken volgen.