Een verdrietige demon; De onaardse schilderijen van Michail Vroebel

Schilder Michail Vroebel is in zijn geboorteland Rusland een mythe. Hij was bezeten van de drang om een nieuwe beeldtaal te ontwikkelen en kwam zo in 1890 al tot een stijl van schilderen waarmee Cézanne later wereldberoemd zou worden. De wereld van Vroebel werd bevolkt door demonen, nimfen en serafijnen. “Zijn schilderijen tonen duistere wezens die een menselijke ziel maar al te graag aan het wankelen brengen.”

Michail Wrubel, der Russische Symbolist. Tot 13 april, Kunsthalle Düsseldorf, Grabbeplatz 4. Di-zo 11-18 u., vrij. tot 21 u. De catalogus, 312 p. kost 45 DM. De tentoonstelling is van 8 mei tot 20 juli in het Haus der Kunst te München te zien.

Hij was 24 jaar toen hij op een ochtend besloot om zijn neus groen te verven. Als vrouwen zich mochten opschilderen, waarom mannen dan niet? Nu zouden de mensen er misschien nog van opkijken, maar binnen afzienbare tijd zouden alle mannen hun neus verven, elk in zijn eigen kleur. Daar was hij van overtuigd.

Om de vrouwen die hij liefhad met geschenken te kunnen overladen, moest hij steeds opnieuw zijn bezittingen naar het pandjeshuis brengen. Nadat hij op zijn 41-ste eindelijk was getrouwd, ontwierp hij voor zijn vrouw, een beroemde operazangeres, niet alleen de theaterkostuums maar ook haar dagelijkse kledij. Hij hulde haar in de meest exuberante en anachronistische uitdossingen, zoals een roze empirejurk met groene sjerp en kanten montgolfier-hoed, waarin hij haar in 1898, als een aangeklede pop, portretteerde.

Hij zag musea als kerkhoven, als grafkelders. Kunst hoorde thuis in de huizen van mensen, in het leven van alledag en nergens anders. Maar dat betekende niet dat de kunst zelf alledaags mocht zijn! Door het scheppen van verheven beelden, moest de kunstenaar de ziel van de mens tot leven wekken en hem juist afleiden van de dagelijkse beslommeringen. Zo schiep hij in zijn kunst een mysterieuze, onaardse wereld, bevolkt door demonen, profeten en serafijnen, elfen, nimfen en najaden, door eenzame wezens in onwerkelijke landschappen, zwevend tussen goed en kwaad. Hij schilderde hallucinaties en visioenen, sagen, legenden en sprookjes, hij schilderde een mannenhoofd dat tussen de waterlelies op een donkere vijver drijft en een bloeiende sering betoverde hij in een sinistere struik.

Eenmaal, in 1902, portretteerde hij in een aquarel zijn zoontje Sava die toen twee jaar was. De kinderwagen, het witte kussen en de rozen op de achtergrond zijn in losse streken weergegeven, maar het kinderhoofdje, met grote, angstige ogen en met een hazenlip, is gepointilleerd, heel teder, stipje voor stipje. Het is het enige dat hij ooit gepointilleerd heeft.

Hij was altijd gefascineerd geweest door de flonkering van edelstenen en toen hij tegen het eind van zijn leven behalve krankzinnig ook nog blind was geworden, wist hij zeker dat zijn ogen in smaragden waren veranderd.

De schilder Michail Vroebel (1856-1910) is om zijn opzienbarende en tragische leven in Rusland een mythe geworden. Maar hij geldt daar ook als de belangrijkste symbolistische schilder en voorloper van Russische modernistische stromingen als het rayonisme en het kubo-futurisme. In het Westen is hij nagenoeg onbekend gebleven. De expositie van schilderijen, tekeningen, keramiek en sculpturen die nu te zien is in de Kunsthalle te Düsseldorf, is de eerste overzichtstentoonstelling van Vroebel buiten Rusland. Toch heeft Vroebel niet alleen de Russische kunst uit het begin van de eeuw beïnvloed, maar ook de West-Europese.

Bij de grote tentoonstelling van Russische kunst die Serge Diaghilev in 1906 in Parijs had georganiseerd, was een hele zaal gewijd aan het werk van Vroebel. Een medewerker van Diaghilev herinnerde zich later hoe in die zaal, waar meestal maar weinig publiek was, een kleine man urenlang naar de schilderijen stond te kijken. Die man was Picasso.

Picasso was waarschijnlijk niet gegrepen door Vroebels macabere fantasiewereld, maar door zijn ongewone manier van schilderen die ook voor jonge Russische kunstenaars in die tijd een openbaring was. Volgens de Russische constructivist Naum Gabo (1890-1977) die in 1922 naar het Westen emigreerde, was de kennismaking met de schilderijen van Cézanne voor hem geen verrassing geweest: hij kende immers het werk van Vroebel al. In zijn boek Of Divers Arts (1959) zette Gabo een foto van Cézanne's Mont-Sainte-Victoire uit 1905 naast een foto van een werk van Vroebel uit 1890 en hij zette er ook nog twee uitvergrote details bij om duidelijk te maken hoeveel overeenkomst er was in de wijze van schilderen. Geen vloeiende streken, maar een wemeling van hoekige kleurvlakjes en -streepjes, een ritmisch patroon dat het schilderij doet fonkelen en aan de volumes een ongekende levendigheid geeft. Beide kunstenaars, Cézanne en Vroebel, waren langs een andere weg tot deze schildertrant gekomen en het was de enige overeenkomst in hun werk, maar ze legden daarmee wel het fundament voor het kubisme.

Mozaïeken

Michail Vroebel was, zoals hij zelf eens schreef, bezeten door de drang om een nieuwe beeldtaal te ontwikkelen. Pas op zijn 24-ste, toen hij al een voltooide rechtenstudie achter de rug had, ging hij naar de academie in St. Petersburg. Daar raakte hij begeesterd door de lessen van Pavel Tsjistjakov die zijn leerlingen aan de hand van gipsmodellen uitlegde hoe ze een vorm niet moesten modelleren door er een contour aan te geven, maar door die vorm, net als een diamantslijper, in afzonderlijke vlakjes te ontleden. Pas in het samenspel van de verschillende vlakjes tekent zich zowel het uiterlijk, als de innerlijke structuur af. Door in zijn schilderijen met die vlakjesmethode te experimenteren, wist Vroebel wonderlijke effecten te bereiken. Sommige schilderijen lijken mozaïeken van verf, ze doen denken aan patchwork, aan scherpkantige kristallen of, bij zijn late werk, aan een in duizenden scherven gebarsten glasplaat, scherven die allemaal andere kleuren weerkaatsen.

Tot de meest geliefde motieven van Vroebel hoorden gevleugelde wezens, zoals de Zwanenprinses uit het sprookje van Poesjkin of de zesvleugelige serafijn die de profeet Jesajah bij Gods troon ontwaarde. Door hun gelaagde patroon van talloze veertjes kon Vroebel bij het schilderen van die vleugels zijn vlakjesmethode ongeremd uitleven. Op de tentoonstelling in Düsseldorf hangen verschillende doeken en aquarellen van serafijnen en zwanenvrouwen, zoals Zesvleugelige serafijn, een van zijn laatste schilderijen, uit 1904, toen hij al twee jaar aan de waanzin ten prooi was gevallen en steeds weer in klinieken moest worden opgenomen. In dit doek schilderde hij een gevleugelde vrouw van een schrikbarende schoonheid die met grote, hypnotiserende ogen de kijker op afstand dwingt. Haar vleugels zijn een vuurwerk van kleur, de vlakjes zijn hier verbrijzeld tot splinters.

In Gevleugelde serafijn en ook in andere late schilderijen had Vroebel de meer bezonnen schildertrant die zo aan Cézanne deed denken, achter zich gelaten. In sommige eerdere doeken is het Cézanneske ronduit verbazingwekkend, bijvoorbeeld in het portret van de spoorwegmagnaat en kunstmecenas Sava Mamontov, die in Abramtsevo bij Moskou een kring van kunstenaars om zich heen verzamelde waartoe in de jaren negentig ook Vroebel hoorde. Vroebel leidde in Abramtsevo een keramiek-atelier en hij schilderde decors voor het operatheatertje dat Mamontov in Moskou had geopend. In de opera's van Rimsky-Korsakov die hier in première gingen, schitterde Vroebels vrouw, Nadesjda Sabela, in de hoofdrollen. Vroebel portretteerde Mamontov in 1897 als een uit steen gehouwen figuur in een compositie van geometrische vlakken in donkere tinten, die bijna kubistisch aandoet. Ook in verschillende van zijn majolicabeelden liep hij op het kubisme vooruit. Zo had zijn Leeuwenkop (1891) niet misstaan in het latere oeuvre van de beeldhouwer Archipenko.

Maar Vroebel was veel meer dan een pre-kubist. Wie door de tentoonstelling dwaalt, raakt vooral onder de indruk van zijn ongelooflijke veelzijdigheid. Tussen de serene fresco's die hij in 1884 voor de Kievse Cyrilluskerk schilderde en de realistische tekeningen uit zijn laatste jaren in de psychiatrische kliniek, beproefde hij allerlei stijlen en technieken. De symbolistische schilderingen die hij voor de paleisjes van de Moskouse welgestelden maakte, doen denken aan de mysterieuze wandschilderingen van Puvis de Chavannes, zijn dromerige visioenen aan het werk van Burne-Jones, de spookachtige fantasie-landschappen aan Gustave Moreau. In zijn koloriet bleef hij trouw aan een donker gamma van overwegend blauw, violet, oud-roze en kersenrood, waar vaak een dreigend zwart doorheenschijnt.

Vroebel zag het aquarelleren als de grootste uitdaging voor een schilder en in deze techniek bereikte hij een eenzame hoogte. Zoals hij een Wilde roos (1884) aquarelleerde, een Witte iris (1886) of Rode azalea (1886) en in de teerste nuances de welving van een bloemblad weergaf, is onnavolgbaar. Met zijn geaquarelleerde portretten is iets vreemds aan de hand. Vaak gebruikte hij hiervoor alleen zwarte waterverf, in verschillende tonen, op licht-beige papier. In de gezichten en gestalten wist hij door een nauwgezette schildering een suggestie van zwart-wit fotografie te geven. Maar de ruimte om de gestalten heen gaf hij juist heel onnaturalistisch weer, zodat het geheel iets van een surrealistische collage heeft, een collage van uitgeknipte foto's en beschilderd papier. In zijn academietijd had Vroebel om geld bij te verdienen een tijd lang albumine-foto's ingekleurd en het medium moet hem hevig hebben geïntrigeerd. Vooral de mogelijkheid om met aquarelverf een 'foto' te maken van fantasiewezens als demonen en engelen en die 'foto' in een geschilderde, theatrale setting te plaatsen, heeft hij in al haar bedriegelijke dubbelzinnigheid uitgebuit.

Waanzin

Dat Vroebel in Rusland een mythische figuur werd, heeft hij vooral te danken aan het hoofdmotief uit zijn werk, de demon, die hem in zijn ban kreeg en hem tot waanzin zou hebben gedreven. Zijn schilderijen tonen meer duistere wezens die een menselijke ziel maar al te graag aan het wankelen brengen, maar het is waar dat de demon bij Vroebel een steeds huiveringwekkender vorm aannam. Hij verbeeldde de demon in reeksen tekeningen, aquarellen, schilderijen, sculpturen en zelfs in een vaas. Van zijn drie grote demon-doeken, de Zittende demon, Vliegende demon en Gevallen demon uit 1890, 1899 en 1902, kon de laatste, wegens de kwetsbare staat waarin het verkeert, niet door het Tretjakovmuseum worden uitgeleend, maar gelukkig hangen er wel voorstudies.

Vroebels demon was geen duivel, maar een beeldschone, zwartgelokte jongeling wiens ogen aarzelen tussen wanhoop en woede. Zijn demon, die gedoemd is als een gevallen engel tussen hemel en aarde te zwerven, is niet slecht maar eenzaam. Vroebel laat hem met een gepijnigde blik naar een blauw-paarse zonsondergang staren, vliegen over een onmetelijk landschap, of, tenslotte, neerstorten in zijn verdriet.

Aan zijn Gevallen demon kon hij in 1902 niet meer ophouden te werken, hij schilderde er zelfs nog aan door toen het al geëxposeerd werd. Dat zou het begin van zijn waanzin zijn.

Op de tentoonstelling zijn 230 werken van Vroebel bijeengebracht, maar niet al zijn genres zijn even goed vertegenwoordigd. Zo hangen er maar enkele van de talrijke aquarellen van opengeklapte oesters en mosselen, waarin hij de paradox van een begrensd en toch oneindig heelal trachtte uit te beelden. Bij de inrichting van de expositie is helaas niet gekozen voor een chronologische, maar voor een onduidelijke, thematische volgorde, wat de kennismaking met het werk niet vergemakkelijkt. Zo moet de bezoeker middenin de tentoonstelling onverwacht overschakelen van Vroebels ongebreidelde, symbolistische fantasiewereld naar de kleine, in de kliniek gemaakte tekeningen van een hand die een doek verfrommelt, een opengeslagen eenpersoonsbed, of een stukje hekwerk om het gesticht. Die tekeningen, van een ineengeschrompeld universum, dateren uit 1904 en 1905. In februari 1906 werd hij blind.

    • Lien Heyting