Een naoorlogs record

DE WERKLOOSHEID in Duitsland neemt nog steeds toe en dat kan niet worden verklaard door de koude winter, zei de president van het Duitse federale arbeidsbureau bij de bekendmaking van de jongste werkloosheidscijfers. Er zijn ruim 4,6 miljoen geregistreerde werklozen in Duitsland, 12,2 procent van de beroepsbevolking.

Niet alleen in Frankrijk, ook in Duitsland bevindt de werkloosheid zich op een naoorlogs recordniveau. Dit is een buitengewoon zorgwekkend gegeven, in de eerste plaats voor de direct betrokkenen zelf, maar ook voor de Europese Unie als geheel. Aanhoudend hoge werkloosheid in twee kernlanden van de Economische en Monetaire Unie (EMU) compliceert een soepel begin van de beoogde Europese munt in 1999 in ernstige mate.

In Standort Duitsland zijn bedrijven volop bezig met grootschalige afslanking omdat de arbeidskosten veel hoger zijn dan die in omringende landen. Werkgelegenheid is een exportprodukt geworden. (Ter vergelijking: de arbeidskrapte in Tsjechië, de economische groei in Polen en, om een Westers buurland te noemen, de banengroei in Nederland.) De redenen hiervoor zijn velerlei en hebben nog altijd te maken met de naweeën van de Duitse hereniging van 1990. Toen werd de Oostduitse economie tegen de verkeerde prijs (een wisselkoers van één blikken Ostmark voor één harde D-mark) overgenomen. Tegelijkertijd ontviel het oosten van Duitsland door de opheffing van de Comecon, het Sovjet-handelsblok, zijn traditionele exportmarkt. De onvermijdelijke sanering van de Volkseigene Betriebe werd daardoor alleen maar versneld.

Begin jaren negentig zorgde de consumptie- en bouwhausse in de oostelijke deelstaten vervolgens voor een economische spurt in westelijk Duitsland. De vakbonden, inclusief die van het overheidspersoneel, maakten hiervan gretig gebruik om hoge looneisen door te drukken. Intussen stroomden werkzoekende migranten uit Oost-Europa naar Duitsland. De aanpassingen van de arrangementen van de verzorgingsstaat, waarmee bijvoorbeeld Groot-Brittannië en later ook Nederland een begin maakten, gingen in de euforie aan Duitsland voorbij. De D-mark had bovendien na de zomer van 1993 zijn positie van harde munt weer hersteld.

SCHOORVOETEND KOMT Duitsland tot het inzicht dat er kapitale blunders zijn gemaakt in het macro-economische beleid. De steun aan de oostelijke Länder, waar een markt-geïnspireerde banengroei maar niet van de grond wil komen, bestaat te veel uit uitkeringen en te weinig uit investeringen. De bruto-loonkosten moeten omlaag, aanpassing van de sociale zekerheid en de collectieve gezondheidszorg is dringend noodzakelijk. Duitsland krijgt bovendien nog een enorm probleem met de financiering van zijn pensioenstelsel. En ten slotte dwingt de EMU dit jaar tot versnelde bezuinigingen om de norm voor het financieringstekort te halen.

Het inzicht groeit dat niet de vraag, maar de aanbodzijde van de Duitse economische machine aan een drastische onderhoudsbeurt toe is. In die richting wijzen de regeringsplannen voor belastingverlaging en herziening van de verzorgingsstaat. Maar totdat deze maatregelen hun uitwerking hebben op de arbeidsmarkt, zal de werkloosheid op een gevaarlijk hoog niveau blijven.