Een balletje

Uit het laatste nummer van Notes, maandblad over de podiumkunsten, stijgt een geur van crisis op. Nu heerst overal altijd crisis, dus is er weinig aan de hand. De podiumkunsten, waarover Notes schreef, betroffen de dans en de theaterdans. Doordat theater en dans in de jaren tachtig onder invloed van kunstenaars als Jan Fabre, William Forsythe, Anne-Teresa de Keersmaeker en uiteraard pioniere Pina Bausch steeds meer verstrengeld raakten, koos het blad er op een gegeven moment voor de inhoud te laten dekken door een ruimer begrip.

Nu houdt Notes dan op te bestaan en gaat het op in een nieuw tijdschrift over de podiumkunsten-in-nog-ruimere-zin, dat behalve over dans en danstheater ook over toneel gaat. Op die inter-diciplinaire verbroedering is niets tegen, maar het is wel een ironische ontwikkeling als men bedenkt hoe verdeeld de danswereld op zichzelf is. De laatste Notes is daarvan een treffende illustratie. Betrokkenen - van critici tot choreografen en mime-kunstenaars - werkten mee aan het nummer. In de bijdragen van de kunstenaars valt vooral op dat ze het bij voorkeur over zichzelf en hun eigen situatie hebben - wat neer komt op geklaag en gejammer over subsidies. Zo begint choreografe Bianca van Dillen - artistiek leidster van de in 1992 opgeheven groep Stamina - haar stukje met de verrassende eerste zin: “Wat mij momenteel bezig houdt, is het feit dat choreografen met veel ervaring en een lange staat van dienst ondergewaardeerd worden”. Als ik het niet gedacht had.

Het merkwaardigste is de bijdrage van Wayne Eagling, artistiek leider van Het Nationale Ballet. Onder verwijzing naar de 'druk' die het grote Muziektheater, het huis van HNB, op de prestaties van het gezelschap legt, filosofeert hij (in het Engels) hardop over de oprichting van een 'offshoot' van het Nationale Ballet. Het zou een splintergroepje binnen het gezelschap moeten worden dat zonder verplichtingen en met het recht op mislukking kleinere produkties zou kunnen uitbrengen in kleinere theaters. Naast de jaarlijkse workshops, die drie dansers de gelegenheid bieden zich te presenteren als choreograaf, zou deze kweekvijver volgens Eagling een 'essentiële functie in het creatieve proces' kunnen vervullen. De 'spirit' van het gezelschap zou erbij winnen.

In een commentaar op zijn dromerij - waaraan hij ook al lucht gaf in zijn beleidsstuk voor het nieuwe Kunstenplan en die de Raad voor Cultuur beoordeelde als 'niet urgent' - noemde Eagling ook al een paar choreografen die ten doop gehouden kunnen worden in de kweekvijver: Ted Brandsen en Alfredo Fernandez.

Om verschillende redenen maakt het idee van Eagling een rare indruk. In de eerste plaats liggen de namen die hij noemt wel erg voor de hand of ze zijn juist niet aan de orde: het is maar hoe men het bekijkt. Brandsen maakte al enkele Muziektheater-produkties voor uitgerekend Het Nationale Ballet en wordt al geëngageerd door andere grote gezelschappen in het buitenland. Hij is de 'offshoot' voorbij.

Voor Fernandez, die in 1994 twee produkties in een workshop maakte, geldt min of meer hetzelfde, zij het dat zijn choreografisch talent juist weinig aanleiding tot enthousiasme gaf. Voor wie smeedt Eagling zijn plannen nu eigenlijk?

Maar het vreemdste en ook wel een beetje beschamende is de status die de artistiek leider zijn eigen wensdromen meegeeft: die van een losse flodder. Wat weerhoudt hem om het groepje eerst op te richten en het dan met zoveel mogelijk tam-tam te presenteren? Niets. In het verleden bewees het met veel kleinere subsidies bedeelde Nederlands Dans Theater met de oprichting van de jongerengroep NDT2 en de ouderengroep NDT3 al, dat een artistiek leider gewoon kan doen wat hij nodig acht. Hij moet dat zelfs doen: daarvoor is hij namelijk artistiek leider.

Eagling bewijst zijn gezelschap en zichzelf geen dienst met zijn plannen, ongeacht het oordeel over de inhoud ervan. Hij is het aan zijn positie verplicht beleid te maken en een koers uit te zetten en te doen wat hem goeddunkt. Voor het opgooien van een balletje kopen we niks. Van belang is alleen zijn eigen goedkeuring.