Drie maten meelbloem

In zijn fameuze boek Wegen en voetsporen van het Oude Testament zegt M.A. Beek: 'Toch heeft Mozes zijn God niet in alle heerlijkheid gezien. Die kan geen mens zien en zelfs Mozes niet.' En even verderop deelt hij nog mee: 'Want Hij is de Heilige die niemand zien kan of mag.' Dat God niet gezien kan of mag worden, is iets dat Beek blijkbaar fascineert.

Tweemaal komt hij er in zijn boek nog op terug, de eerste keer zegt hij: 'Niemand kan God zien zonder te sterven.' En een paar bladzijden verderop luidt het weer: 'Wie God ziet, moet sterven.'

Beek heeft het van geen vreemde; in Exodus 33 vers 20 lezen wij: 'En hij zegt: je zult niet bij machte zijn om mijn aanschijn te zien; want nooit ziet de - roodbloedige - mens mij aan en overleeft het!' Mozes mag, zo blijkt even later, alleen Gods' achterkant zien. Exodus 33 vers 23: 'Weghalen zal ik mijn handpalm en zien zal je mijn achterkant; mijn gelaatstrekken zullen niet worden gezien.'

Niettemin blijken er uitzonderingen op deze regel te bestaan. In Richteren 6 vers 22 constateert Gideon dat hij de Engel des Heeren heeft gezien, en hij begrijpt terstond dat hij moet sterven. Maar dan lezen we in het volgende vers: 'Doch de Heere zeide tot hem: 'Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.'

Al eerder had Jozua bij Jericho een man met een uitgetrokken zwaard gezien die zichzelf voorstelde als 'de vorst van het heir des Heren.' Jozua vraagt: wat heeft mijn heer te zeggen en de verschijning antwoordt dat Jozua zijn schoenen uit moet trekken 'want de plaats waarop gij staat, is heilig.'

In deze beide gevallen zou je nog kunnen opmerken dat zowel Jozua als Gideon niet God zelf, maar slechts een Engel des Heeren aanschouwen, net zoals trouwens, eerder al, Bileam op zijn ezelin. Abraham echter krijgt God bij de eikenbossen van Mamré gewoon aan de deur. Onaangekondigd komt God, samen met twee andere mannen, aanlopen. En er kan geen misverstand over bestaan, Hij laat zich aan Abraham zien. Oussoren vertaalt aldus: 'Dan laat zich aan hem zien de AANWEZIGE, bij de godseiken van Mamré, - die wordt gezien', terwijl hij in het heetst van de dag zit te rusten in de ingang van de tent.

Wie God ziet, moet sterven? Blijkbaar toch niet. 'Abraham nodigt God uit bij hem zijn voeten te wassen en onder een boom neer te leunen' zoals Oussoren vertaalt. God laat zich bidden, en leunt neer. Abraham snelt naar de tent en verzoekt Sarah om met drie maten meelbloem pannenkoeken te bakken! Dat heb ik als kind altijd zoiets ongelofelijks gevonden. Niet het feit dat je God op bezoek krijgt, en al evenmin het feit dat Sarah haar tent niet uitkomt om even een blik op God te werpen, maar het feit dat Abraham zijn vrouw vraagt om pannenkoeken voor God te bakken! Krijg je God op bezoek, en wat doe je: je bakt pannenkoeken. Wat ik als kind, vanwege mijn verbazing over die schamele pannenkoeken voor God, altijd min of meer over het hoofd heb gezien is dat Abraham ook nog een 'teeder kalf' (Statenvertaling) voor God laat klaarmaken en dit tedere kalf serveert met boter en room. In Genesis 18 vers 8 staat dan: 'Terwijl hij boven hen geposteerd blijft onder de boom eten zij.'

Hoe ongelofelijk dat is, blijkt wel uit al wat in het Oude Testament verder over God verhaalt wordt. Zo'n huiselijk tafereeltje wordt nooit meer geschetst. Nimmer zal God nog iets eten wat door een mens is klaargemaakt. Maar hier, bij Mamré, smult God van Sarah's pannenkoeken.

Zou God ook met Sarah hebben kennis gemaakt? Of zou zij al die tijd in haar tent zijn gebleven? Als God, tussen twee happen van zijn pannenkoek door, Abraham aanzegt dat Sarah een zoon zal krijgen, barst het oude wijfje in lachen uit.

Wat een zeldzaam komisch tafereel! De Schepper van het ongelofelijke heelal waarin wij leven vereert Abraham met een bezoek, doet zich tegoed aan pannenkoeken met klontjes boter en dikke room, en deelt mee dat Sarah een zoon zal krijgen. Ik zou er toch tamelijk diep van onder de indruk zijn als God op bezoek zou komen en zoiets zou zeggen, maar Sarah schiet alleen maar in de lach. Die denkt alleen maar: 'Ja, God kan me nog veel meer wijs maken.'

Omdat ze, uit het zicht van God, in haar tent lacht, denkt ze blijkbaar dat Hij daar niets van merkt. Mis. 'Dan zegt de AANWEZIGE tot Abraham: waarom heeft Sarah gelachen?' Daar schrikt Sarah van. Vervolgens loochent zij dat zij gelachen heeft.

In het verhaal is steeds sprake van drie mannen. De heilige drieëenheid, zoals ik als kind diverse malen heb horen verkondigen? Maar verderop staat dat twee van de drie engelen' zijn. Die twee gaan al op weg naar Sodom, en Abraham blijft met de AANWEZIGE achter om over de verdelging van Sodom te discussiëren. Al wat Abraham zegt om God van zijn voornemen af te brengen om het stadje uit te roeien, blijkt vergeefs. Korte tijd later wordt Sodom weggevaagd.

Alleen Lot en zijn twee dochters blijven gespaard. Zelfs de vrouw van Lot die op de vlucht even achterom kijkt, wordt een zoutpilaar. Wat origineel van God om iemand zo ter dood te brengen! Wat kan Hij toch leuk uit de hoek komen!

Wat in Exodus 33 vers 20 staat is dus duidelijk in tegenspraak met dit verbazingwekkende verhaal over Abraham die met God bij de ingang van zijn tent heeft zitten keuvelen en ook nadien nog met Hem een wandelingetje heeft mogen maken.