Debuutroman van Lulu Wang over culturele revolutie; Chinees stijfkopje zet door

Lulu Wang: Het lelietheater. Een jeugd in China. Vassallucci. 495 blz.ƒ ƒ39,90 en ƒ 49,90 (geb.)

Als Lian eenmaal ergens haar zinnen op had gezet, liet ze er geen gras over groeien. Haar plan om Kim te helpen was nog geen twee dagen oud of ze begon haar hoofd tot een punt te slijpen om in de schatkamer van de kans te kruipen. Om twee uur luidde de schoolbel. Het was zaterdag, en de lessen eindigden vandaag een uur eerder. De klasgenoten vochten zich een weg het klaslokaal uit, alsof wie achterbleef door de haaien verslonden zou worden. Kim bleef waar ze was en wachtte geduldig haar beurt af om het lokaal te mogen verlaten - als laatste. Lian keek naar buiten. De volwassen herfstzon opende zijn armen en uit zijn borst stroomde een strelende warmte; het schonk haar moed en rust.

Uit: Lulu Wang, Het lelietheater

Het lelietheater van de in Nederland wonenende Chinese schrijfster Lulu Wang is één van de wonderlijkste boeken die ik in jaren gelezen heb. Als je er aan begint, geloof je aanvankelijk grote literatuur in handen te hebben. Je spelt de prachtigste zinnen. Het boek heeft een mooie, ingehouden maar krachtige stijl. De thematiek is oorspronkelijk en Wang, die met met Het lelietheater haar debuut maakt, weet een grote rijkdom aan beelden op te roepen. Maar lees je verder, dan blijk je na hondervijftig bladzijden terecht gekomen te zijn in een Chinese Stijfkopje, het fameuze kinderboek van Emmy van Rhoden. De hoofdpersoon van Het lelietheater, een meisje van een jaar of twaalf, ontpopt zich dan tot een eigenwijs, onverschrokken doordouwertje van het ergste soort, dat er heilig van overtuigd is de wereld te zullen redden. Hyper-intelligent, goed voor haar naasten, heeft ze een scherp oog voor onrecht. En belangeloos offert ze zich op om de chicanes van haar egoïstische klasgenoten en de doortrapte communistische partijofficials te ontmaskeren. Naarmate het boek vordert, verdringen de alinea's elkaar die je niet meer zonder proesten kunt uitlezen. Wat een tuttigheid, wat een verschrikkelijk brave en simpele ondertoon.

Het verhaal van Het lelietheater vertoont eenzelfde breuk. Het begint ermee dat het Chinese meisje op haar twaalfde toestemming krijgt in het werkkamp te komen wonen waar haar moeder verblijft. Het meisje is ziek, 'psychosomatisch' denkt men, ze mist het gezelschap van haar politiek uit de gratie geraakte ouders. Haar moeder is een historica die aan een boek heeft meegwerkt dat al weer door de feiten is achterhaald, haar vader is een cardioloog, die door de Partij duizenden kilometers ver te werk is gesteld, naar men zegt uit voorzorg tegen binnenvallende Russen.

Het lelietheater speelt zich van begin tot eind af ten tijde van de culturele revolutie, aan het begin van de jaren zeventig. Intellectuelen worden gedwongen op het land te werken en te leren van de boeren, maar voor het meisje heeft dat niets tragisch. Het werkkamp betekent voor haar eerder een bevrijding. Ze krijgt als kind het beste eten van iedereen en krijgt privéonderwijs bij in ongenade gevallen hoogleraren. Een vermaard historicus leert haar alles over de Chinese geschiedenis vóór het Mao-tijdperk en van de schrijfster van Engels zonder moeite! leert ze Engels. Wat een vooruitgang, na haar saaie schooltijd in het 'Gebouw Westerse Kapitalisten Zijn Sprinkhanen Na Ooorlogstijd'. Op een geheime plek aan het water die ze 'het lelietheater' doopt, begint ze voor zichzelf het geleerde na te vertellen. Deze verhalen die wat mij betreft de kern van het boek zijn, leveren een mengeling op van een kinderlijke droomwereld, een Chinese geschiedenisles en een beschrijving van de natuur rond het kamp.

Zolang Wang over het dagelijks leven in het kamp schrijft, is het verhaal ook bijzonder aangrijpend. Het zou me niet verbazen als dit gedeelte dat een sterk autobiografische indruk maakt om die reden op een later tijdstip naar voren is gehaald. Het meisje is het enige kind in het kamp en ze observeert op verwonderde, onbevangen manier het leven van de volwassenenen. Hoewel er waarschijnlijk gruwelijke dingen gebeuren, een enkele keer lees je iets over lijken, wordt het nooit zwaar of pathetisch. De schrijfster weet een toon te vinden die doet denken aan die van G.L. Durlacher in zijn beste werk, of aan Jona Oberski in zijn boekje Kinderjaren.

Als het meisje en haar moeder daarna van de ene op de andere dag uit het kamp worden vrijgelaten, begint de beschrijving van de voor- en nageschiedenis van het kampverblijf. Die voorgeschiedenis, die al enigszins door het verhaal over kamp heen schitterde, heeft nog wel iets ontroerends, maar wat daarop volgt wordt al snel jammerlijk vlak. Na haar thuiskomst ontwikkelt het meisje een hechte vriendschap met een meisjes van arme komaf van dezelfde leeftijd en het boek wordt een soort Chinese versie van De vriendschap. Het verhaal over de twee meisjes geeft Wang de gelegenheid kritiek te leveren op de maoïstische maatschappij die maakt dat arme meisjes geen kans hebben om hogerop te komen.

Dat wil niet zegen dat boek anti-maoïstisch is. Integendeel, het is eerder maoïstischer dan Mao. Het arme meisje is een lelijk eendje, een assepoester die het in zich heeft uit te groeien tot zwaan of prinses. Haar familie behoort tot de derde en laagste 'kaste', ze woont in een huis van modder en kan de lessen niet bijhouden omdat ze na schooltijd moet helpen met het bijeenschrapen van een minimaal inkomen. Dank zij het rijke intellectuele meisje zou ze zich uit haar nederige positie moeten kunnen opwerken. Maar anders dan het lelijke eendje uit het gelijknamige sprookje, slaagt ze daar niet in. Ze wint - Stijfkopje zet door! - bij de jaarlijkse sportwedstrijden en haalt op school de hoogste cijfers, zonder dat dit haar erkenning door haar klasgenoten oplevert. Als je voor een 'dubbeltje' geboren bent, schrijft Lulu Wang met een schrijnend cliché, word je nooit een 'kwartje'.

De boodschap van het boek is uiteindelijk dat de Chinese communisten zich niet aan hun eigen leer houden. Het systeem wordt misbruikt door mensen die alleen maar aan hun eigen belangen denken. Dat heeft tot gevolg dat er terreurbendes van kanslozen ontstaan. Wanneer het zaad van de haat eenmaal gezaaid is, weet het meisje, kan niets een ramp meer tegenhouden.

Het lelietheater is een raadselachtig en ook treurigmakend boek. Hoe kan het dat een schrijfster die zo goed schrijven kan, haar talent op zo'n genadeloze wijze om zeep helpt. Onervarenheid met literatuur? Blindheid voor de verschillen tussen de twee genres die in haar boek voorkomen? Of heeft ze bewust naar iets nieuws gezocht, en heeft ze in één tekst het 'hogere' met het 'lagere' willen verbinden, het literaire met het stichtelijke?

De taal die Wang in het vervolg van Het lelietheater schrijft, heeft nog wel iets fascinerends. De in China geboren schrijfster die het boek direct in het Nederlands heeft geschreven, hanteert een combinatie van woorden en uitdrukkingen die het een geheel eigen karakter geven. Nu eens lees je gemeenplaatsen die behalve Kees van Kooten geen Nederlands schrijver zich in zijn hoofd zou halen. Dan weer schrijft ze stijf therapeutenjargon ('meer nog dan de gehechtheid aan het leven, ervoer Lian de behoefte aan duidelijkheid'). Het boek bevat houterig partijtaal ('het jammerende koor om haar heen en het zwaard boven haar hoofd zorgden ervoor dat haar houding ten opzichte van haar voormalige vriendin plotseling een draai van honderdtachtig graden maakte'). Maar daartussendoor staan dan weer de meest zinderende uitdrukkingen in. Als een partijactivist even geen raad meer weet, schrijft Wang: 'hij plofte op het bed en liet zijn denkmachine de vrije loop, die op dit moment als een tredmolen werkte'. En wanneer een kaderlid de jongens en meisjes ervan wil overtuigen dat ze hun onderwijzers van terroristische aanslagen moeten verdenken, schrijft Wang dat hem dat 'liters leugenspuug' kost. Maar het is te weinig om het boek te redden.

Het is misschien erg voor de hand liggend, maar het beeld dat bij het lezen van Het lelietheater steeds weer bij me opkwam was dat van een goedkoop Chinees restaurant in een Nederlandse provinciestad. Het decor is, voor wie er voor het eerst komt, imponerend. Rode lampions! Houtsnijwerk! Een aquarium met tropische vissen. Er staan een prachtige porceleinen vazen. En op de kaart wordt in de vreemdste letters een opsomming van de exotische gerechten gegeven. Maar waarom komt het goud op de muur uit een afgeprijsd verfpotje? En waarom zijn de bloemen van plastic? En wordt op sommige tafels patat met appelmoes en kip geserveerd?

Zolang Lulu Wang schrijft over iemand die eruit ziet als een boer die 'per ongeluk zijn kies als een teentje knoflook heeft doorgeslikt' vind ik het prachtig, maar de rillingen trekken over mijn rug wanneer ze diezelfde boer laat lachen 'alsof hij kiespijn heeft'.