De slijtage van het succes; Centre Pompidou sluit anderhalf jaar voor renovatie

Het centrum voor kunst en cultuur Centre Pompidou in Parijs gaat anderhalf jaar dicht. Het twintig jaar oude gebouw wordt heringericht. Het succes van de missie van het centrum - toegankelijkheid voor iedereen - is veranderd in een probleem. “Het toppunt van laagdrempeligheid werd bereikt toen vorig jaar de zwervers zich voor breed beraad vestigden op de begane grond van het centrum, het verkeersknooppunt tussen de theater-, film- en expositiezalen.”

“Die avond kwam ik triest thuis”, vertelde president Pompidou's weduwe Claude vorige week in een zeldzaam televisie-interview. “Sommige toespraken bij de opening waren zo negatief geweest, dat ik me na afloop troostte met de gedachte: het staat er in ieder geval.” De Franse president die de ongehoord vooruitstrevende beslissing nam tot oprichting van het multidisciplinair centrum 'voor kunst en cultuur' dat deze week twintig jaar bestaat, overleed vóór zijn idee werkelijkheid werd. Zijn droom nam destijds wat verweesd bezit van het Plateau Beaubourg in Parijs.

Het 'Centre National d'Art et de Culture Georges Pompidou' werd 31 januari 1977 geopend door Pompidou's opvolger Giscard d'Estaing tegen een achtergrond van scepsis en verontwaardiging. Dertig gave historische gebouwen in het hart van de Franse hoofdstad waren gesloopt voor een gebouw dat met alle buizen en leidingen aan de buitenkant geen gebouw wilde zijn. En waar zou het buitenmaatse complex toe dienen? “Dat wordt weer zo'n culturele woestijn”, verwachtte de toenmalige staatssecretaris van cultuur, de journaliste en schrijfster Françoise Giroud.

Als minister-president had Georges Pompidou, de bankier en kunstverzamelaar, al gepleit voor een 'architectonisch gebaar' om een centrum te huisvesten waar moderne kunst, kennis en creativiteit uit binnen- en buitenland voor een breed publiek toegankelijk zouden zijn. Zijn weduwe nu: “ Mijn man maakte zich zorgen over de conservatieve en naar binnen gekeerde smaak van zijn landgenoten. Toen hij eerste minister was wilde hij dat centrum al neerzetten op die plek, waar sinds de oorlog een gat gaapte. Generaal De Gaulle en minister Malraux van cultuur waren absoluut niet geïnteresseerd. Men vond het veel te gedurfd.”

Twintig jaar later gaat Pompidou's centrum, de Parijse cultuur-raffinaderij tussen de voormalige Hallen en de Marais, zeker anderhalf jaar dicht wegens succes - van oktober 1997 tot ergens in 1999. De creatie die Frankrijk moest wennen aan de moderniteit is na twee decennia uitgewoond. De fameuze buizen aan de buitenkant hebben de laatste maanden al een laag verf gekregen, voor iedere functie een eigen kleur, zoals al jaren niet meer te zien was. Binnen wordt het tentoonstellings-oppervlak met 5000 m2 vergroot en de altijd tot de laatste stoel bezette bibliotheek uitgebreid en heringericht. Ook de oorsponkelijke opzet - een 'mélange des gens et mélange des genres', in de woorden van mevrouw Claude Pompidou - is toe aan nieuwe inspiratie. Op 1 januari 2000 moet het Centre Pompidou weer helemaal bij de tijd zijn.

Vermoeide roltrappen

Succes heeft veel gezichten. Het bij vlagen meest opwindende centrum van Parijs (de tentoonstellingen van Matisse, Dali, Bonnard en vorig jaar nog Bacon waren hits) viert zijn verjaardag licht bedrukt. De eeuwige rijen duiden niet alleen op succes, maar ook op chronische systeemfouten. De onderdelen van het centrum, het Museum voor moderne kunst met zijn vaste collectie van 40.000 werken, het ermee gelieerde Centrum voor architectuur en design (CCI), Boulez' centrum voor hedendaagse muziek Ircam (Institut de recherches et de coordination acoustique musique), ze zijn allemaal hun eigen weg gegaan, voorspoedig maar met steeds minder samenhang. En desondanks, de mensen bleven komen, 25.000 per dag, in plaats van de verwachte 5000.

Niet alleen de buiten-roltrappen naar het makkelijkst bereikbare uitzicht van en over Parijs zijn moe, ook de omgeving van het Centre is sleets geraakt. Beaubourg, zoals het Centre Pompidou in de wandeling wordt genoemd, is niet langer een stijlvol modern baken in oud Parijs. Tussen het ondergrondse winkelcentrum Les Halles en 'Beaubourg' is het drukste slenter- en fritescentrum van de hoofdstad gegroeid. Winkels en cafées met een verleden maakten plaats voor ventplaatsen van vlugvoer en minimode. Rugzaktoeristen en 'sans-domicile fixe' vonden er hun bedevaartcentrum.

Het toppunt van laagdrempeligheid werd bereikt toen vorig jaar de zwervers zich voor breed beraad vestigden op de begane grond van het centrum, het knooppunt tussen de theater- en filmzalen beneden, de winkel, de leeszaal en de balies op de begane grond, en vijf verdiepingen met boeken, tentoonstellingen en vaste collecties. Wat in de theorie van het centrum een ideale bevestiging van zijn missie zou moeten zijn, werd een probleem. Voor Dominique Perrault (44), de architect van de net geopende Bibliothèque de France, kwam dat niet als een verrassing. Hij studeerde nog toen het Centre Pompidou werd ontworpen. Perrault herinnert zich nu in Le Figaro dat het ontwerp van Renzo Piano en Richard Rogers paste in de tijd: “Flexibiliteit was het sleutelwoord, polyvalentie, alles moest overal kunnen. Het was een ruimhartige ideologie, die even formidabel als catastrofaal kon uitpakken. Dit Centre Pompidou was het bewijs dat waar wij met onze docenten over praatten echt kon. Ik denk nu dat die ongerichte vrijheid een vals spoor is. Dat wil niet zeggen dat we die utopie helemaal moeten opgeven. In de Grote Bibliotheek heb ik geprobeerd die polyvalentie binnen het gebouw in de praktijk te brengen, terwijl de vitaliteit zich buiten doet gelden als onderdeel van het stadsleven. In één opzicht trek ik de lijn van het Centre Pompidou door: Beaubourg was de eerste architectonische daad die de gevel liet verdwijnen. Er waren geen ramen, geen deuren, geen frontons. Bij de Bibliothèque de France kan je zelfs op en over het gebouw klimmen. Ook daar bestaat grote vrijheid.”

Perrault betreurt dat over de ontwikkeling van de stad rondom zijn monumentale bouwwerk nog nauwelijks is nagedacht. Piano waakt als een kloek over zijn Beaubourg. Samen met de Franse architect Jean-François Bodin neemt hij de renovatie en herinrichting van het centrum voor zijn rekening, nadat hij ook al de hellende piazza en de bestrating om het gebouw opnieuw had mogen uitvinden. Volgens Piano gaat de verhouding tot de stad nog veel ingrijpender veranderen. Er komt iets meer groen, maar het basis-idee van een groot ontmoetingsplein blijft bewaard.

De meest opvallende toevoeging is de herbouw van het atelier van de beeldhouwer Constantin Brancusi. In het schuine plein is een gebouwtje opgenomen waarin de vier ruimtes zijn nagebouwd die Brancusi's Parijse atelier aan de Impasse Ronsin (15de arrondissement) vormden. Bij zijn dood in 1957 liet de van oorsprong Roemeense beeldhouwer het atelier met inboedel en werk na aan Franrkijk, op voorwaarde dat het in die staat bewaard zou blijven.

Waterschade

Dat is niet letterlijk opgevat. Eerst werd in 1962 een reconstructie in het Palais de Tokyo, het toenmalige museum voor moderne kunst, gemaakt. Later ging het atelier mee naar het Centre Pompidou, waar een exacte replica werd gebouwd op de hoek van de Rue Rambuteau en de Rue Saint-Martin. Die ging dicht in 1990 na zware waterschade.

De beeldhouwer zou zich thuis moeten voelen in deze omgeving. De tentoonstelling die Beaubourg in 1995 aan zijn werk wijdde behoort tot de best bezochte uit de 20-jarige geschiedenis: 431.764 bezoekers in 111 dagen. Maar zou de kunstenaar kunnen werken in deze aangeveegde museumkamers? Alles staat er, zijn oude kachel, zijn werkbank met gereedschap, en zelfs een open vioolkist en een gitaar, die herinneren aan zijn muziekavondjes met Erik Satie. Renzo Piano zegt dat hij de geest van Brancusi niet heeft willen imiteren. “We hebben geen antropologie willen bedrijven. Ik hoop alleen dat ik de emotie weer oproep. Constantin zou tevreden zijn, denk ik, want we hebben zijn kijk op kunst gerespecteerd. Zijn atelier was een binnenlandschap waarin alles in permanente evolutie was.”

Dat is waar de schoen wringt. De grote, zorgvuldige tentoonstelling van twee jaar geleden, met alle foto's van dat heerlijke atelier, was spannender dan de smetvrije kopie van vier werkruimtes. De sculpturen staan onderdanig op hun plek. Er liggen geen krullen op de grond, er is nooit gewerkt - dit atelier is even meeslepend als een nagebouwde Hindelooper smidse. Als een kunstenaar is gaan hemelen maken zijn werken zich los van het atelier, dat is hun kracht. Het oorspronkelijke atelier van een artist kan wel de moeite zijn: het Musée Bourdelle of het atelier van Zadkine, beide in de zuidflank van Montparnasse, hebben tenminste de aantrekkingskracht van de authenticiteit. De grote man heeft zijn oeuvre daar toch maar gemaakt, in Zadkine's geval op weinige vierkante meters.

Het jubileum van het Centre Pompidou wordt verder gevierd met een grote tentoonstelling Made in France, 1947 - 1997, vijftig jaar beeldende kunst gemaakt op Franse bodem (tot 29 september). Het Nationaal Museum voor moderne kunst geeft een (niet gesigneerd) overzicht van wat het zoal heeft verworven. Door niet te kiezen voor alle erkende topstukken, noch voor een historische of thematische ordening, heeft Beaubourg de charme van intuïtie en improvisatie een kans gegeven. Dat resulteert in vrolijke en ontspannen zalen op, zij het met wat gratuite ondertitels als 'Evidence' (Chagall), 'L'art comme présence' (Geer van Velde en veel François Rouan), 'Etre au monde' (César) en 'Etre en soi' (Baltus, Bonnard). Een museale identiteit doemt niet op, daarvoor storen te veel verschillen in kwaliteit, en ontbreken te veel sculpturen - afgezien van een mooi Giacometti-domein. In één zaaltje trachten te bewijzen dat Robert Combas net zo interessant is als Pablo Picasso gaat wat ver. Zo laat ook deze tentoonstelling zien dat het museum, één van de hartkamers van het Centre Pompidou, toe is aan even nadenken vóór de volgende sprong.

Het neemt niet weg dat dit populaire Centre van de gaullist Pompidou moeiteloos de vergelijking doorstaat met de majestueuze Grote Werken waar de socialist François Mitterrand zijn veel langere ambtsperiode mee markeerde (de Boog van La Défense, het Grand Louvre, Opéra Bastille, Cité de la Musique). Zoals de filosoof Alain Finkielkraut onlangs zei: “Mitterrand heeft gezorgd voor de toeristificering van de cultuur. Franse universitaire onderzoekers en studenten kijken hun ogen uit in de Verenigde Staten, Duitsland en Nederland. Straks komen de bussen met toeristen voorrijden om de Très Grande Bibliothèque te bewonderen, terwijl wij nog steeds geen zalen, boeken en instrumenten kunnen vinden.”

De 'verkoop' van de Pompidou-bibliotheek (met drie keer zo veel boeken als bij de Grande Bibliothèque) gaat door tijdens de verbouwing. Symbolisch genoeg: in een voormalige supermarkt. “Het Centre Pompidou heeft het culturele leven van ons land diepgaand veranderd”, zei directeur Aillagon ter ere van het jubileum. Misschien was die modernisering zonder Pompidou's raffinaderij ook gekomen, maar minder opwindend.