De oogst van onze eeuw; Sigmund Freud: Das Unbehagen in der Kultur, 1930

Sigmund Freud: Abriss der Psychoanalyse / Das Unbehagen in der Kultur. Fischer. ƒ 25,20 (pbk)

Kort nadat Sigmund Freud in oktober 1929 het manuscript van Das Unbehagen in der Kultur naar de drukker had gezonden, brak in New York de grootste beurscrisis aller tijden uit. Een causaal verband valt niet aan te nemen, maar het lange essay (dat in 1930 werd gepubliceerd) bevat een passend commentaar bij de rampen die de mensheid in de jaren dertig en veertig te wachten stonden. Niet dat Freud inging op de risico's van de kapitalistische economie - zijn analyse betreft eerder de spanningen waaraan de cultuur op een meer fundamenteel niveau blootstaat. Het meest schokkend is daarbij, dat de cultuur zelf de voornaamste bron van deze spanningen blijkt te zijn.

Das Unbehagen in der Kultur, waarvan de eerste druk in recordtempo was uitverkocht, bevat de meest complete weergave van Freuds cultuurfilosofie. Dat het ook een van zijn somberste geschriften is, tekent het twijfelachtige gehalte van zijn vertrouwen in de toekomst. Hoewel hij, als een echte zoon van de Verlichting, de wetenschap altijd heeft verdedigd tegen de 'illusies' van de godsdienst, had hij geen rooskleurige boodschap te bieden. Aan het slot van zijn essay maakt hij zelfs zijn excuses voor het feit dat hij zijn medemensen niet de verlangde 'troost' weet te verschaffen.

Veel reden tot optimisme was er ook niet. Freud heeft zich pas betrekkelijk laat in zijn leven aan cultuurpsychologische speculaties gewaagd, onder invloed van - vooral - de Eerste Wereldoorlog. Deze schok kleurt nog altijd het essay uit 1929. De overwinning op de natuur die de mensheid dank zij wetenschap en techniek had weten te behalen, kon diezelfde mensheid evengoed fataal worden, realiseerde Freud zich maar al te goed. De wortel van het kwaad lag echter dieper.

Niet zonder ontgoocheling stelt hij vast dat het menselijk streven naar geluk in feite te hoog was gegrepen. De volledige lustbevrediging die dat geluk vereiste, liet zich nu eenmaal niet verenigen met een ordelijke samenleving. Onvermijdelijk diende de lust te worden gekanaliseerd, de individuele vrijheid ingeperkt. Het was geen nieuwe gedachte, want ook de zeventiende-eeuwse politieke denker Thomas Hobbes had haar al tot de grondslag van zijn theorieën gemaakt. Freud was zich daarvan bewust; in een brief schrijft hij klaaglijk slechts de 'meest banale waarheden' opnieuw te hebben uitgevonden.

Zoveel bescheidenheid is niet nodig, want Freud weet zijn 'banale waarheden' te voorzien van een psychologische verklaring, die zonder hem niet had bestaan. Tussen de ontwikkeling van de cultuur en die van het individu ziet hij een opmerkelijke parallel, waardoor aan zijn psychoanalytische inzichten ook het nodige ontleend kan worden met betrekking tot de cultuurgeschiedenis. De strijd tussen Ich, Es en Überich in het individuele innerlijk herhaalt zich volgens hem op het macro-niveau van de cultuur. Ook daar worden de veelal onbewuste driften aan banden gelegd door een hogere instantie, een cultureel Überich, dat in de vorm van de ethiek een krachtig stempel drukt op elke samenleving.

Omdat de driften zich nooit volledig lieten onderdrukken of sublimeren, genereerde de cultuur aldus haar eigen onbehagen. Altijd bleef de ongeremde en amorele vrijheid wenken. Een complicerende factor was dat Freud naast de voornamelijk positieve lusten van Eros ook nog een andere, minder positieve, drift meende te moeten erkennen. Al in eerdere geschriften had hij rekening gehouden met het bestaan van 'destructieve, bijgevolg antisociale en anticulturele tendensen' in de menselijke natuur. Nu kregen deze tendensen een aparte verzamelnaam: de Todestrieb, die het individuele geluk afhankelijk stelde van de destructie van de ander en van de samenleving.

Kortom: in het hart van de beschaving had Freud een tragische tegenstelling ontdekt, tussen Eros en Thanatos, waardoor het voortbestaan van die beschaving permanent werd bedreigd. Ook de utopie van het communisme, die destijds in Rusland verwezenlijkt leek te worden, bood wat hem betrof geen soelaas. Met de afschaffing van het privé-bezit zou immers niet de menselijke agressie verdwijnen. Freud besefte te goed hoezeer ook de Sovjet-maatschappij haar cohesie bevorderde via de strijd tegen een collectieve vijand. En even bezorgd als lucide vroeg hij zich af wat de Sovjets zouden doen, 'nadat ze hun bourgeois hadden uitgeroeid'.

Het probleem van de cultuur leende zich kennelijk niet voor enige definitieve oplossing; het oude gevaar bleef altijd bestaan. 'De cultuur overweldigt de gevaarlijke agressielust van het individu, doordat zij deze verzwakt, ontwapent en door een instantie in zijn innerlijk, als door een bezetting in een veroverde stad, laat bewaken'. Maar wat als deze 'bewaking' tekort schiet? Dan breekt de hel los, en met kenmerkende ambivalentie kan Freud er alleen maar het beste van hopen, in het realistische besef dat de toekomst zich nooit laat voorspellen.

Sommigen van zijn volgelingen bleken optimistischer dan de meester en vonden het bestaan van een zelfstandige 'doodsdrift' onacceptabel. Anderen, zoals Herbert Marcuse, stelden hun vertrouwen in de krachten van Eros en in een radicale maatschappijhervorming. Dat laatste deden ook de surrealisten, de meest doortastende freudianen in de kunst en de literatuur; zonder zich te bekommeren om de gevaren van enige Todestrieb, streefden zij roekeloos naar een toekomstige vereniging van droom en bewustzijn in een hogere 'surrealiteit'.

Dichter bij Freud en diens ambivalentie bleef een Poolse schrijver, die achteraf toegaf de uitvinder van de psychoanalyse nauwelijks te hebben gelezen. 'Als ik toevallig iets van dat alles heb opgevangen, dan alleen in de mate waarin het in de lucht hing, in de gesprekken en zelfs in de moppen', zei Witold Gombrowicz in een vraaggesprek. Toch is de overeenkomst met zijn eerste - zeer bizarre - verhalen uit de jaren dertig frappant. In een van die verhalen, Voorvallen op de schoener Banburry, lezen we bijvoorbeeld: 'De orde, discipline en properheid op dit schip zijn slechts een dun vliesje dat elk moment kan barsten'.

De cultuur is een hachelijk goed, had Freud vastgesteld, altijd vergezeld door haar eigen tegenkrachten. Op dezelfde manier dreigt in Gombrowicz' literaire universum het lagere, het onrijpe en het vormeloze steeds door de formele orde heen te breken, als een afschrikwekkende maar ook verleidelijke ondergrond. In deze ongemakkelijke 'werkelijkheid', die Gombrowicz geen moment uit het oog verliest, schuilt de rechtvaardiging van zijn op het eerste gezicht verbazingwekkende pretentie als schrijver een 'hardnekkig realist' te zijn.

Heeft Freud gelijk, dan kan de verbazing bij nader inzien heel beschaafd binnen de perken blijven.

    • Arnold Heumakers