De hemel wekte in mij een fatale passie; De vele gedaanten van Phaedra

Het verhaal van koningin Phaedra, die noodlottig verliefd is op haar stiefzoon, kent vele varianten, onder meer van Seneca, Vondel en Hugo Claus.Vertaler Laurens Spoor vindt de versie van Racine de beste. “Bij hem geen stijlverzwikkingen, wijdlopigheid, of ontwikkelingen die geforceerd aandoen.” Spoors vertaling van Racines Phaedra gaat op 8 februari in première bij Theater van het Oosten.

Op zaterdag 8 februari, 20.30u. gaat in Theater aan de Rijn in Arnhem 'Phaedra' van Racine in première bij Theater van het Oosten. Regie: Mark Timmer. Inl. 026-4437655.

Drie van Spoors Racine-vertalingen, waaronder 'Phaedra', verschenen in een band bij uitgeverij Van Gennep.

Een netjes getrouwde mevrouw probeert een aantrekkelijke jongeman te verleiden, krijgt nul op het rekest en wreekt zich op de hooghartige door hem ervan te beschuldigen dat hij haar heeft aangerand. Aanval als verdediging, haat als liefde. Een dankbaar thema uit de oersoep van mythen en sagen.

Terwijl de joods-christelijke cultuur het verhaal kent van Jempsar en Jozef, weet koningin Phaedra - reddeloos verliefd op haar stiefzoon Hippolytus - zich een goede bekende in de wereld van de Griekse tragedie. Haar naam heeft sindsdien standgehouden, ook dankzij come-backs in versies en varianten van onder anderen Seneca, Vondel en Hugo Claus, al worden niet al deze treurspelen vernoemd naar Phaedra, maar sommige naar Hippolytus, en enkele naar beiden.

In de loop der eeuwen evolueert het Phaedra-drama van een conflict tussen goden, uitgevochten door stervelingen, tot een strijd tussen mensen die vooral worstelen met zichzelf.

Hebben veel toneeldichters zich aan de materie gewaagd, een van hen laat al zijn voorgangers en navolgers ver achter zich: Jean Racine. Zijn Phèdre (1677) heeft het laatste woord. Omdat het alles samenbalt. Het theater voor en na Racine. Racine's werk voor en na Phèdre. Vorm en inhoud. Woord en daad. De Bach van de dramatische letteren heeft op zijn beurt niet wat de anderen wel hebben: zwakke plekken. Bij hem geen stijlverzwikkingen, wijdlopigheid, of ontwikkelingen die geforceerd aandoen. Het was dan ook de sensatie van volmaaktheid die André Gide het oeuvre van Racine - elf tragedies en een komedie - zelfs boven dat van Shakespeare deed verkiezen.

In Euripides' Hippolytus (428 v. Chr.), waarvan Agaath Witteman onlangs een mooie, doorwrochte voorstelling ensceneerde, is koning Theseus - de vader van Hippolytus en Phaedra's echtgenoot - op reis. De oude voedster van Phaedra onthult Hippolytus dat haar meesteres verliefd op hem is. Hippolytus verbergt zich, Phaedra verhangt zich. Theseus keert weer en treft bij het lijk van zijn vrouw een brief aan waarin zij haar stiefzoon ervan beschuldigt dat hij haar heeft verkracht. De koning vervloekt Hippolytus, die daarop te grazen wordt genomen door een zeemonster uit de stal van Poseidon. Tot slot ontvouwt de godin Artemis aan Theseus en zijn stervende zoon de waarheid: alles was een wraakactie van Aphrodite, omdat Hippolytus wars was van de liefde.

Bij Seneca bekent Phaedra zelf haar passie aan Hippolytus, die ontzet het woud invlucht. Hij wordt aangeklaagd door de voedster en later ook door Phaedra zelf. Hippolytus komt aan zijn eind conform zijn vaders vloek en Phaedra doorsteekt zich met het zwaard nadat zij haar zonde heeft opgebiecht aan Theseus, een doorgewinterde rokkenjager overigens. In het laatste tafereel schuift de koning de bloedige resten van zijn zoon als een legpuzzel in elkaar.

Wat Vondel betreft: aan zijn Hippolytus of Rampsalige Kuyscheyd (1628), ga ik voorbij - het is een vrij getrouwe vertaling van Seneca's duit in het zakje - maar ik sta even stil bij het treurspel waarin hij hetzelfde grondthema met meer armslag uitwerkt: Joseph in Egypten (1640), dit seizoen nog gespeeld door Theater van het Oosten als onderdeel van de Jozef Trilogie. In een gezellige ratjetoe van exotische, grieks-romeinse, joodse en christelijke ambiance trekt Vondel alle registers open. En het aardige is dat hier de verleidende Jempsar geëmancipeerd is ('De wetten worden nu de vrouwen voorgeschreven / Door mannen, die toch zelf om wet noch regel geven'), dat zij niet in het minst gebukt gaat onder schuldgevoelens ('Mijn wellust zij mijn wet') en dat de belaagde Jozef lik op stuk geeft ('Doortrapte krokodil!').

In de Phaedra-versie van Racine wordt Theseus dood gewaand, wat Phaedra ertoe brengt haar 'incestueuze' hartstocht uit te spreken tegenover haar stiefzoon (morele gevoelswaarde: zoon). Als Theseus tot ieders schrik toch opduikt, wordt Hippolytus door Phaedra's voedster Oenone, en niet met zoveel woorden door Phaedra zelf, beticht van een poging tot verkrachting van de koningin. Hippolytus - die in dit stuk een verloofde verwerft, wat een dimensie toevoegt - vindt op de bekende wijze de dood, terwijl Oenone op haar beurt door Phaedra wordt vervloekt en zich van de rotsen werpt. In de laatste scène belijdt Phaedra publiekelijk haar verdwazing en maakt zij met gif een eind aan haar leven. Op de valreep krijgt haar voedster een fikse trap na:

Le ciel mit dans mon sein une flamme funeste;

La détestable Oenone a conduit tout le reste. (-)

Elle s'en est punie, et fuyant mon courroux

A cherché dans les flots un supplice trop doux.

(De hemel wekte in mij een fatale passie;

En de verfoeilijke Oenone deed de rest. (-)

Zij heeft zichzelf gestraft, want

vluchtend voor mijn gramschap

Verkoos zij in de golven een te milde dood.)

Gebeden worden nooit verhoord, verwensingen onmiddellijk. Een opmerkelijk constante factor in alle varianten is dat Hippolytus wordt bezocht door eenen gruwelijcken opborrelenden zeestier, zoals Vondel in zijn voorwoord watertandend in het vooruitzicht stelt. Op zo'n spectaculair bodeverhaal heeft niemand willen afdingen. Ook Hugo Claus niet, die met zijn beeldende Phaedra (1980) Seneca's voorstelling van zaken dichterbij brengt. Een ode aan de oude stoïcijn. Al heeft Claus ook een en ander ontleend aan Racine, wiens schildering dan misschien niet de warmbloedigste is, maar beslist de beklemmendste. (De prijs voor de meest rebelse versie gaat naar Gabriel Gilbert, in wiens Hippolyte (1647) Hippolytus verliefd is op Phaedra!)

Met scherp dramaturgisch vernuft heeft Racine de materie toegespitst of, waar zinvol, genuanceerd. Koorzangen ontbreken en het benodigde exposé is geen taaie kost. Hij heeft het in de dialogen verwerkt als argumentatie en maakt het daarmee theatraal actueel. Zijn bewerking is de meest efficiënte. Bij Racine hebben de personages geen bedenktijd meer. Daarom voltrekt zich wat zich voltrekt. Geloofwaardig, en toch boven de realiteit uitgetild. Toneelspelen is opschieten, is onder acteurs een gevleugeld woord (al wordt de daad er niet altijd bij gevoegd). Dat motto is bij uitstek van toepassing op Racine. Elk van zijn tragedies is als een vijfde bedrijf. Kundig, heel kundig spel is de enige vereiste toevoeging.

Het fatum is bij Racine geen blinde gril, maar een vernietigende interactie tussen mensen van vlees en bloed, zonder eenduidige schuldvraag. Door met het lancet het wetmatige verloop van emoties bloot te leggen, heeft Racine de toneelschrijfkunst herijkt.

'Niets snijdt dieper dan de dodelijke precisie van niet opiniërend quasi-realisme', schreef Emma Brunt, doelend op Arjan Ederveen, in HP/De Tijd. Het tijdloze van deze stelling blijkt ook hierin, dat de overeenkomsten tussen het kleine leed in Ederveens altijd kernachtige 30 Minuten en de immense smart bij Racine groter zijn dan de verschillen. In de aflevering met Mary Dresselhuys ging het overigens óók over een verboden liefde. Een adellijke weduwe beziet de tuinman op zijn tractor... zo bespiedt Phaedra prins Hippolytus op zijn renwagen.

De taal van Racine staat natuurlijk haaks op die van Ederveen, al is er geen sprake van de gewrongen bombast die sommigen bij het boegbeeld van het Franse classicisme vermoeden. Stijlvast, bondig en glashelder zijn de trefwoorden. Protagonisten en vertrouwelingen bedienen zich van hetzelfde beknopte idioom. Men spreekt met één stem. En - net als bij Vondel - in paarsgewijs rijmende alexandrijnen: twee regels van dertien lettergrepen afgewisseld door twee van twaalf. Dat levert extra dramatische spanning op. Spanning tussen de onbeheerste emoties en de beheerste vorm.

Daarbij wordt de tragedie onontkoombaar voortgestuwd door het raderwerk van de verzen, met na elke derde jambe die minieme rust, die lichte hapering die even lucht en hoop geeft: is er nog een weg terug? Nee, er is geen weg terug. Het rijm kan worden gezien als een intrinsiek aspect van het onafwendbare, want na de eerste regel ligt het slot van regel 2 al vast. Het noodlot werpt zijn schaduw vooruit.

Bérénice, mijn eerste Racine-vertaling, maakte ik ook in berijmde alexandrijnen. Om de rijmwoorden, die bij het schema aa bb toch al dicht op elkaar zitten, niet te grote nadruk te geven in onze minder vloeiende taal, maakte ik veel enjambementen, wat de monumentaliteit van de alexandrijnen weer enigszins te kort deed. Sindsdien geef ik er de voorkeur aan Franse klassieken te vertalen in onberijmde alexandrijnen, waarbij - ten behoeve van de muzikaliteit - versregels van dertien en van twaalf lettergrepen elkaar om en om afwisselen in plaats van twee aan twee. Per saldo blijven het evenveel lettergrepen als in het Frans.

Gelukkig wordt de 'profetische kracht' van het drama bij Racine niet alleen uitgedrukt in het rijm. Elk van zijn stukken is aan het begin al zwanger van het geheel: in de eerste regels van zijn tragedies wordt, meestal met ironisch misverstand, de afloop verwoord. Het doek is nog niet op, of Hippolytus kondigt aan dat hij vertrekt uit het liefelijke oord waar hij verblijft. Van vertrekken komt het dan wel niet, maar door zijn dood zal hij het toch voorgoed verlaten.

Handeling in de zin van gedoe is er niet bij Racine. Eenheid van tijd, plaats en taal. En het woord is magisch. Het woord wordt daad. De gedachte alleen al is een daad, want Phaedra straft zichzelf met de dood voor een daad, voor de Daad, die zij slechts in de geest heeft beleden.

Sublimatie? Racine zou in 1668 de actrice Thérèse Du Parc, met wie hij in het geheim getrouwd was, uit jaloezie hebben vergiftigd. Een jaar later schreef hij Britannicus, waarin vergiftiging een cruciale rol speelt. En voor hij historiograaf van Lodewijk XIV werd en nog twee bijbelse treurspelen het licht zou doen zien, voltooide hij zijn laatste profane tragedie - hem het dierbaarst - waarin Phaedra door gif sterft.

Maar Phaedra leeft! Het nieuwe jaar is amper een maand oud, of na het stuk van Euripides verschijnt Racine's versie op het Nederlandse toneel.

In Parijs blijkt de eenheid van tijd, plaats en handeling nog wat compacter. Terwijl - we schrijven eind januari - in het Théâtre de l'Est Parisien Phaedra de hand aan zichzelf slaat in een moderne opvoering naar Seneca, blaast een eindje verderop bij de Comédie-Française Racine's titelheldin in een oogstrelende maar pathetische voorstelling simultaan de laatste adem uit. Bij dit illustere gezelschap - in uiteenlopende regies - voor de veertienhonderdste keer sinds 1680.

Phaedra tot Hippolytus:

J'ai voulu te paraître odieuse, inhumaine;

Pour mieux te résister, j'ai recherché ta haine.

De quoi m'ont profité mes inutiles soins?

Tu me haïssais plus, je ne t'aimais pas moins.

Ik wilde kil, onmenselijk zijn in jouw ogen;

Ik zocht je haat, om je zo beter te weerstaan.

Wat was het resultaat van mijn vergeefse moeite?

Jouw haat voor mij nam toe, mijn liefde nam niet af.

UIT: JEAN RACINE, PHAEDRA

Vertaling Laurens Spoor

Uit het verslag van Hippolytus' dood:

L'onde approche, se brise, et vomit à nos yeux, Parmi des flots d'écume, un monstre furieux. Son front large est armé de cornes menaçantes; Tout son corps est couvert d'écailles jaunissantes; Indomptable taureau, dragon impétueux, Sa croupe se recourbe en replis tortueux. Ses longs mugissements font trembler le rivage. Le ciel avec horreur voit ce monstre sauvage, La terre s'en émeut, l'air en est infecté, Le flot qui l'apporta, recule épouvanté.

De vloedgolf nadert, breekt, en braakt voor onze ogen Een ziedend monster in de woeste branding uit. Zijn brede kop is grimmig toegerust met horens; Met gele schubben is 't van top tot teen bedekt; Een wilde stier, een dolle draak, welks onderlichaam In spartelende kronkelstaarten overgaat. Zijn lang en luidkeels loeien doet de kuststreek trillen. De hemel ziet vol afschuw neer op dit gedrocht Waardoor de aarde wordt geschokt, de lucht bewalmd raakt; De golf die het gebracht heeft, deinst verschrikt terug. UIT: JEAN RACINE, PHAEDRA

Vertaling Laurens Spoor