De grote truc; Het einde van Herenleed

Herenleed, de duo-act van Armando en Cherry Duyns, begon 25 jaar geleden op televisie. Voor het publiek was niet duidelijk of het als poëzie vermomde flauwekul was of als flauwekul vermomde poëzie. Dat veranderde toen Herenleed in het theater kwam: Man 1 en Man 2 waren geen dolende figuren op een zandverstuiving meer, maar variété-artiesten. “Het enige verschil was dat ze niet met balletjes jongleerden, maar met taal. Om beurten wierpen ze een balletje op en deden hun best dat zo lang mogelijk in de lucht te houden.”

Een wesp van hout, de laatste Herenleed-voorstelling, is op tournee t/m 29 maart. Inl. 020-6270726. De bundel 'Herenleed, vijfentwintig jaar weemoed en verkangen' is uitgegeven door De Bezige Bij en gaat vergezeld van de gelijknamige videoband, met de tv-aflevering 'De bediende' (1976) en de theaterregistraties 'Groot Herenleed' (1990) en 'Een ongerieflijk tweetal' (1995). Prijs: ƒ 55.

Eindelijk schieten de woorden hen te kort. In de slotscène van het nieuwe Herenleed-programma Een wesp van hout, dat hun laatste is, zitten Man 1 en Man 2 op Thonet-stoeltjes, roerloos en vlak naast elkaar, hun bovenarmen raken elkaar. Zojuist hebben ze nog, in een welbespraakte cirkelredenering, vastgesteld dat het hun beider schuld is. “Ja,” zei de één. “Ja,” zei de ander. Langzaam waren hun beider ja's overgegaan in eenstemmig geknor. Het klonk gelaten, maar niet ontevreden. Nu zitten ze ietwat ineengedoken te peinzen. Waarover? Op de valreep lijkt Man 2 toch nog iets te binnen te schieten. “Zeg eh...,” begint hij, “...eh... hè?” Man 1 kijkt op en antwoordt vaag: “Ja...” Zachtjes speelt de geluidsband het andante uit de Much ado about nothing-suite van Korngold. “Hm,” zegt Man 2. De muziek zwelt aan. Doek.

Man 1 is de schrijver, dichter en beeldend kunstenaar Armando. Man 2 is de tv-programmamaker Cherry Duyns. Herenleed is hun gezamenlijke schepping. In een bundel en op een videoband, waarvan dinsdagavond na hun laatste première de eerste exemplaren werden uitgereikt, staat dat het afscheid samenvalt met een jubileum. “Vijfentwintig jaar weemoed en verlangen,” luidt de ondertitel van boek en band. Dat is te mooi om helemaal waar te zijn.

Wat waar is, is dat de AVRO in november 1971 de eerste van drie programma's uitzond onder de titel Herenleed. Maar de auteurs, die zich op de titelrol lieten vermelden als Cherry Duyns en Frank Palmer, stonden niet zelf voor de camera. Hun rollen werden gespeeld door de gedistingeerde acteurs Eric van Ingen en Ton Lensink. Wat ik me ervan herinner, is het optreden van twee heren zonder enig houvast, die op diverse lokaties nogal dromerig hun sketches speelden. In de teksten school de suggestie van absurdisme, maar de rolverdeling was onduidelijk en de bedoeling ook. In de bundel ontbreken deze scripts; ze waren volgens het nawoord 'te weinig kenmerkend'.

Pas nadat hen door regisseur Berend Boudewijn was aangeraden hun teksten zelf te spelen, verschenen Duyns en Armando in december 1975, in het galmende gezelschap van de dichter Johnny van Doorn, voor het eerst bij de VPRO. Het boek begint met de tekst van een nooit uitgezonden proefaflevering; de oudste uitzending op de videoband dateert van april 1976.

De bediende heet die aflevering. Midden in de zandverstuiving, de vaste plaats van handeling, is pontificaal een buitenformaat-tweepersoonsbed geplaatst dat door Man 2 met een groots gebaar als zijn huis wordt gepresenteerd. Man 1, die zelf zegt niet te wonen, mag er ook even in. Achter het hoofdeinde, vaak aan het zicht onttrokken, bevindt zich de door Johnny van Doorn met een geblanket gezicht gespeelde bediende. Man 2 legt uit hoe de wereld in elkaar zit: “De bediende bedient.” Nog even probeert Man 1 of het ook andersom kan, maar Man 2 weet van geen wijken. Hij trekt een vies gezicht, maakt zelfs aanstalten om te gaan braken, maar vermant zich net op tijd en zegt: “Bediendes worden nooit bediend. Het idee...”

Streepsikje

Duyns draagt een bolhoed, een omgedraaide druipsnor waarvan de uiteinden naast zijn neusvleugels prijken en een verticaal streepsikje op zijn kin waarvan het puntje zwierig opkrult. Hij deelt de lakens uit, daarover is geen twijfel mogelijk. Naar het hem uitkomt, prijst en geselt hij de ander. Natuurlijk is hij een prol, die zelf ook maar weinig heeft om op te pochen, maar in dit gezelschap is zijn gezag onwankelbaar. Armando heeft een ziekenfondsbrilletje op zijn neus en een kwiek pruikje met een scheiding in het midden op zijn hoofd. Zijn broek is iets te kort, zijn jasje iets te krap. Hij is een hulpeloze drentelaar, die dolgraag wil meespelen, maar de spelregels niet kent. “Bent u... eh... bent u bent u?” vraagt Man 2 hem uitdagend en dreigend tegelijk. “Eh... eh... ik zou 't wel willen, meneer,” brengt Man 1 er met moeite uit. Alles doet hij om bij de grote meneer met de bolhoed in de smaak te vallen. Maar zodra hij zelf heel voorzichtig iets te berde brengt, wordt hij door de ander weer op zijn plaats gezet. “Meneer,” probeert hij, “alles wat mooi is, dat vind ik zo mooi.” Het antwoord komt meteen, onaangedaan en voor geen discussie vatbaar: “Alles wat mooi is, kan ook heel lelijk zijn.”

Ogenschijnlijk spelen Duyns en Armando de rollen van komieken als Walden & Muyselaar. Hun beider uitdossingen doen denken aan de revue - de uitvergrote gezagsdrager tegenover de uitvergrote sukkelaar. Het publiek is automatisch op de hand van de tweede. Als die maar even de autoriteit aan het wankelen lijkt te brengen, zouden we hem het liefst luidkeels willen aanmoedigen. We vinden de verwatenheid van Man 2 bespottelijk en we voelen ons verwant met Man 1; hij durft tenminste af en toe nog iets terug te zeggen in situaties die we ons in het dagelijks leven meestal moeten laten welgevallen.

Maar de vorm van hun dialogen wijkt sterk af van die uit de revue. Misschien zijn de misverstanden soms nog wel vergelijkbaar, maar er is geen duidelijke intrige en er zijn evenmin grappen naar traditionele snit. Bovendien lijken de woorden hier en daar hun gebruikelijke betekenis te verliezen. Als de bediende gehoorzaam zijn been op de rand van het bed zet, omdat Man 2 wil aantonen hoe lelijk hij is, maakt deze een triomfantelijk gebaar en zegt: “Nou, u ziet het, hè, een warboel.” Niemand anders zou in dit geval het woord warboel hebben gebruikt.

Ook is er weemoedige muziek die niet in het komische genre past, en vallen er stiltes. Alles staat stil, lijkt het. Niets brengt werkelijk verandering in de situatie. Zelfs een sierlijk dansje in het zand lost niets op; daarna is elk van de heren weer in eigen gepeins verzonken. Wat is dit eigenlijk? Is het ongepast om te lachen of is de melancholieke vormgeving niets meer dan een bewust aangebracht dwaalspoor? Is het als poëzie vermomde flauwekul of als flauwekul vermomde poëzie? Wordt hier iets wezenlijks beweerd over het menselijk tekort of gaat het gewoon nergens over?

Hoe groot de verwarring destijds was, wordt nergens beter aangetoond dan in de geborneerde column die Simon Carmiggelt erover schreef: “Mijn vrouw en ik zijn eenvoudigen van geest en denken bij dit soort ondoorgrondelijke uitingen altijd: snappen doen we het niet, dus dan is het cultuur en moet het onverwijld subsidie krijgen.”

Potsierlijk

In elk geval vond een kleine kring het prachtig. Hun lof vervulde mij met enig wantrouwen, want zelf wist ik niet zo goed wat ervan te denken. Ik had plezier om de potsierlijke statements (“vijanden zijn niet gezellig!”) en de half verbasterde zegswijzen: “Reilt en zeilt de bediende ook?” “Hm. Tussen neus en lip.” Maar de suggestie dat er iets diepers aan de hand was, hinderde me: “Alles wat geweest is, kwam dat?” “Dat kwam.” Ik zag de filmische stijlfiguren van diepgang (een bewegingloze camera, stiltes, flarden klassieke muziek), maar niet de diepgang zelf.

Ook voelde ik me buitengesloten door de wetenschap dat Armando en Cherry Duyns bevriend waren en dat hun teksten voortkwamen uit hun particuliere geheimtaal. Komische duo's zijn niet bevriend. Laurel & Hardy, Johnny & Rijk en ook Walden & Muyselaar waren geen vrienden van elkaar. Ze kwamen samen om hun werk te doen, en dat werk was erop gericht het publiek aan het lachen te maken - niet elkaar.

Voor mij heeft Herenleed pas zijn ware aard laten zien, toen Armando en Duyns er in 1983 voor het eerst mee op het toneel verschenen. Zodra de kunstzinnig gefilmde vorm werd vervangen door die van het theater, leken Man 1 en Man 2 hun natuurlijke habitat te hebben gevonden. Ze waren geen dolende figuren op een zandverstuiving meer, maar variété-artiesten. Het enige verschil was dat ze niet met balletjes jongleerden, maar met taal. Om beurten wierpen ze een balletje op en deden hun best dat zo lang mogelijk in de lucht te houden. En net als bij een jongleur eindigde ieder nummer niet met een frappe, zoals in een komische sketch, maar zoals het was begonnen: met de balletjes - of de knotsen of de borden - weer in de hand. Even verkeerden we in de illusie dat het onmogelijke mogelijk was - de borden eeuwig draaiend, de woorden eeuwig los van hun doordeweekse betekenis - maar aan het eind was alles weer bij het oude.

Meer en meer ging het bij Armando en Duyns sindsdien om de korte sensatie van de grote truc. Het gebrek aan houvast, waar de acteurs Van Ingen en Lensink in 1971 nog zichtbaar moeite mee hadden, werd hun kunstvorm. Jongleurs hebben nu eenmaal geen houvast, anders dan een acteur hebben ze niets om op terug te vallen. Als het balletje te snel naar beneden komt en het bord niet lang genoeg blijft ronddraaien, is het nummer mislukt. Duyns werd bijna een conférencier: “Dames en heren, welkom nietwaar, ik ga er weer es een lollige avond van maken.” En ook Armando richtte zich tot het publiek: “Dames en heren, zoals u weet is het leven slechts een kort gebeuren tussen twee stiltes, iets wits tussen twee zwarten. Wat is het leven anders dan een kleine dag dan tussen twee lange nachten... Ik zeg van het leven dat je maar heel even mag en dan hup.”

Het leven is kort en alles wat we doen, is vergeefs - dat was ongetwijfeld ook de grondtoon van de gefilmde tv-afleveringen, maar de bijbehorende vormgeving leek me toen soms te obligaat, en te nadrukkelijk. In het theater hoeft men aan de vergeefsheid van het gebodene niet zo zwaar te tillen: die staat immers vast, al is het maar vanwege het feit dat we om acht uur al weten dat we om half elf weer buiten zullen staan. Misschien is het dus maar het beste om de tussenliggende tijd zo prettig mogelijk te besteden. Ongeveer zoals Man 1 het in 1990 opmerkte in Groot Herenleed: “Ik vond het net een treurspel van hupsakee!”

Woordkeus

Armando en Duyns gingen kunstjes doen. Het verbale variété werd hun specialiteit. De rolverhouding van het komische duo raakte op de achtergrond. Soms herinnerde Man 2 nog aan het feit dat hij vroeger de macht bekleedde: “Zeg, u denkt er toch wel het mijne van, hè?” Maar de rollen konden nu ook worden omgedraaid. In hun nieuwe voorstelling is het Man 1, die op strenge toon aan de ander vraagt: “Heeft u eigenlijk wel een woordkeus?” En als die ander een bevestigend antwoord geeft, zegt Man 1: “Daar is anders niet veel van te merken.”

Tegelijk met de oude rolverdeling verdween ook veel van de revue-uitdossing. Duyns gaat nog gepaard met bolhoed, snor en sik, maar Armando heeft al in 1995 (in de voorstelling Een ongerieflijk tweetal, na het overlijden van Johnny van Doorn) zijn pruikje en brilletje afgelegd. Bovendien treden de heren sindsdien aan in identieke witte pandjesjassen, zwarte shirts en broeken en witte vlinderdasjes. Armando houdt het knoopje van zijn jas dicht, bij Duyns hangt het jasje open, zodat hij op gezette tijden met een regelend gebaar aan de beide uiteinden aan de voorzijde kan trekken.

Steeds vaardiger werden de trucs. Steeds meer woorden en zegswijzen werden beproefd door ze op te werpen en weer op te vangen. Niemand kan met zoveel nadruk en zoveel betekenisloze betekenis het woord weegbree uitspreken als Cherry Duyns. Niemand kan zo overtuigend als Armando zeggen: “Ik ben vaak een beetje moederziel.” Of: “Ik maak de aanstalten.” Het gaat nergens meer over, en daar gaat het over. “Bent u eigenlijk in zwang?” vraagt Man 1 onverhoeds. “Hè?” mompelt Man 2 verstrooid. “Nee zeker hè,” zegt Man 1 pesterig. “Nee, ik ben niet in zwang, nee,” moet Man 2 bekennen. “Hm,” zegt Man 1 en loopt weg. “Doe niet zo plompverloren, wilt u!” roept Man 2 hem na.

Inwisselbaar zijn de trucs soms ook. “Zo iemand als u hè, heeft zo iemand nou een moeder?” vroeg Man 1 in Een ongerieflijk tweetal. In de nieuwe voorstelling vraagt hij: “Bent u op den duur ook wel eens jong geweest?” Maar inwisselbaar zijn zulke trucs altijd. Of er op de lange stok van de jongleur nu een balletje of een bordje draait, maakt in technisch opzicht geen verschil. Als het effect maar overrompelend is. En dat was het - het theater had Armando en Duyns in perfect evenwicht gebracht.

Dichter dan ooit zijn Man 1 en Man 2 in Een wesp van hout tot elkaar gekomen. Al snel staan ze glimlachend tegenover elkaar. Beider façades zijn vrijwel verdwenen. De meeste van hun gesprekken voeren ze zittend. Wat hooguit nog tussen hen in staat, is de mededeling van Man 2 dat hij een reusachtige wesp van hout heeft gebouwd, en het feit dat Man 1 die nooit te zien zal krijgen. Telkens probeert Man 1 een vertrouwelijke sfeer te scheppen, waarin Man 2 hem meer over die wesp zal vertellen. Hun stoeltjes worden steeds dichter naar elkaar toe geschoven. Voor het eerst is er zelfs lichamelijk contact. Man 2 begint met zijn hand op de rechterschouder van Man 1 te leggen. Daarna legt zijn hand om diens schouders. Vervolgens pakt hij de hand van Man 1 vast. En tenslotte heeft Man 2 de hand op het hart van Man 1 liggen. Het geheim blijft bewaard, maar ze wekken de indruk het nu alletwee te weten.

Toen dinsdagavond het première-applaus na de voorstelling voorbij was, en de eerste exemplaren van boek en videoband waren uitgereikt, stapten Armando en Cherry Duyns weer naar voren. Ze zeiden:

“Alles wat mooi is, vind ik zo mooi.”

- “Alles wat mooi is, kan ook heel lelijk zijn.”

“En alles wat geweest is, kwam dat?”

- “Dat kwam.”

“Maar het komt niet meer.”

- “Nee, het komt niet meer.”