De beursgang van het Spaanse Telefónica; Angelsaksische deugdzaamheid te Madrid

Dezer dagen wordt Telefónica na British Telecom het tweede Europese telecommunicatie- bedrijf dat geheel en al geprivatiseerd is. Bovendien is het in eigen land een van de eerste omvangrijke ondernemingen met een Angelsaksisch karakter - doorzichtig, in het belang van de aandeelhouder. En dat is even wennen voor de Spanjaarden. Met argwaan wordt deze revolutie gadegeslagen.

De president is kwaad. Achter de ronde tafel op de hoogste verdieping van het Madrileense hoofdgebouw van Telefónica, een fraaie wolkenkrabber die de binnenstad domineert, barst bestuursvoorzitter Juan Villalonga los in een aanzwellende woede-uitbarsting. “We zitten midden in de belangrijkste privatisering die ooit in Spanje is vertoond”, briest de topman van Spanjes telecommunicatie-gigant, terwijl hij zijn publiek uitdagend aankijkt. “En alle aandacht wordt getrokken door de digitale televisie. Een operatie waar wij hooguit twee dagen aan cash flow in geïnvesteerd hebben”.

Hoewel er nog ruim twee weken te gaan zijn voordat de privatisering van Telefónica, Spanjes internationale gigant op het gebied van telecommunicatie, zal zijn voltooid, is nu reeds duidelijk dat de operatie een overdonderend succes mag heten. De voorverkoop aan particuliere beleggers, die sinds twee weken openstaat, is reeds vele malen overschreden. Eind vorige week begonnen de internationale roadshows die de institutionele beleggers in Europa, Japan en de Verenigde Staten over de streep moeten trekken. Dat laatste zal naar verwachting weinig moeite kosten: Telefónica, met zijn expansieve thuismarkt en uitgebreide investeringen in Zuid-Amerika, geldt als een aantrekkelijke groeier.

De feeststemming bij het telecommunicatiebedrijf kwam de afgelopen week echter danig onder druk te staan door de politieke rel rond de introductie van digitale betaaltelevisie in Spanje. Telefónica geeft leiding aan het zogenoemde digitale platform van ondernemingen, waaronder Spanjes staatstelevisie, dat er op gericht is om deze nieuwe vorm van abonneetelevisie te lanceren. Maar terwijl dit initiatief nog slechts schoorvoetend van de grond komt, introduceerde het Spaanse Canal Satélite Digital eind vorige week als eerste deze nieuwe vorm van betaaltelevisie in Spanje.

Was dit op zichzelf al zuur genoeg voor de groep rond Telefónica, de zaken werden er niet beter op nadat de regering van premier Aznar zich er mee ging bemoeien. Op de valreep nam het kabinet een decreet aan waarmee de zogenaamde decoder van Canal Satélite Digital, het televisiekastje dat het digitale signaal in bruikbare vorm omzet, in feite verboden werd. Als het aan de regering lag komt er maar één digitaal platform: dat van Telefónica.

Met enige fantasie zou een en ander nog wel beschouwd kunnen worden als een van regeringswege verstrekt afscheidscadeautje in ruil voor de naar schatting negen miljard gulden die de staat straks voor zijn resterende aandelen Telefónica ontvangt. Maar in de Telefónica-burelen heerste vooral de ergernis over de timing van het kabinetsoptreden en de denderende ruzie met Canal Satélite die op het verbod volgde.

“Wij zitten in digitale televisie omdat we erbij willen zijn”, zegt Villalonga, nadat zijn woede-uitbarsting enigszins is weggeëbd. “Het is een defensieve move. Het is niet wegens dit regeringsbesluit dat British Telecom en AT&T ons vrezen; ze zijn bang voor ons omdat we op heel andere gebieden klanten van hen afpakken.”

Het publicitaire gehannes rond de betaal-tv bewijst dat de Spaanse regering nog steeds niet vies is van interventies op een vrije markt. Niettemin bevindt Spanje zich met de privatisering van Telefónica in de kopgroep van het privatiseringsfront. Na British Telecom is Telefónica het tweede Europese staatstelecommunicatiebedrijf dat volledig op eigen benen staat.

Daarmee keert het bedrijf weer terug naar de geprivatiseerde tijden van zijn oprichting. In de jaren twintig werd de Spaanse telefoon- en telegraafdienst als particulier bedrijf opgezet door het Amerikaanse AT&T. De Amerikanen lieten in verschillende steden de Telefónica-wolkenkrabbers plaatsen die opgetrokken werden in de kenmerkende stijl van de Chicago-school. In de jaren veertig volgde nationalisatie door het Franco-regime, maar toch behield het bedrijf altijd een eigen speelruimte. “Onze achtergond is altijd een voordeel geweest”, meent Villalonga, “We hebben nooit deel uitgemaakt van een ministerie, maar zijn altijd een eigen bedrijf gebleven.”

Financieel en zakelijk kan Telefónica, gemeten naar de beurswaarde een van Spanjes grootste multinationals, zich de laatste jaren op uitstekende resultaten beroepen. Vorige week maakte het bedrijf een geconsolideerde netto-winst over 1996 van 160 miljard peseta bekend - ruim twee miljard gulden. Dat betekende een stijging van ruim twintig procent ten opzichte van het voorgaande jaar en zelfs een verdubbeling ten opzichte van 1992. De omzet steeg vijftien procent tot ruim 2.000 miljard peseta's (27 miljard gulden).

De sterke groei van omzet en winst van Telefónica is aan een aantal factoren te danken. In 1995, nog onder het vorige bestuur, werd een intensief herstructureringsprogramma doorgevoerd om de bestuurlijke moloch van zijn bureaucratische kantjes te bevrijden. Telefónica mocht dan altijd wel veel van zijn geprivatiseerde karakter uit het verleden behouden hebben, de binnenlandse telefoondienst die toch nog altijd goed is voor zestig procent van de omzet, was allerminst een toonbeeld van doelmatigheid. Lange wachttijden op aansluitingen, technisch weinig up to date en horkerige klantenbediening bezorgden het bedrijf geen prettige naam bij de gemiddelde Spanjaard.

Daarin is inmiddels verandering gekomen. De afgelopen jaren heeft Telefónica in versneld tempo voor aansluitingen gezorgd in minder toegankelijke gebieden. De klantenservice werd aanzienlijk uitgebreid en wie bij een van de servicenummers een klacht indient kan er op rekenen nog dagen lang achtervolgd te worden door bezorgde telefoontjes of het ongemak inmiddels is verholpen. Met een gestadige verlaging van de lokale telefoontarieven probeert Telefónica met enig succes de Spanjaard intensiever aan de lijn te laten hangen. Nieuwe produkten als het gratis software-pakket Infovia moeten het Internet- en ander computerverkeer stimuleren.

Een van de grote groeiers in de afgelopen jaren is ongetwijfeld de mobiele-telefoonservice, die vorig jaar 11 procent van de omzet voor zijn rekening nam. Het afgelopen jaar behoorde Telefónica Móviles, de houdstermaatschappij waarin het mobiele netwerk is ondergebracht, met 140 procent stijging van het aantal klanten tot veruit de grootste groeier in Europa.

De mobiele telefoon is in Spanje inmiddels uitgegroeid tot een ingeburgerd symbool van vooruitgang en welvaart waar met enige gretigheid gebruik van wordt gemaakt. Anders dan in Nederland, waar het openbaar gebruik van een mobiele telefoon nog vaak gepaard gaat met laatdunkende opmerkingen van omstanders en schaamte bij de gebruiker, gebruiken de 2,3 miljoen abonnees vrij van frustaties hun draagbare toestel. Telefónica heeft daarmee nog altijd een ruime voorsprong op Airtel, de tweede aanbieder van draagbare telefoons die sinds ruim een jaar op de markt actief is en slechts 652.000 klanten kent.

Wat de komst van de nieuwe concurrentie op het draagbare gebied betreft (in principe kan er vanaf begin 1999 een derde aanbieder actief worden op de Spaanse markt) maakt Telefónica zich weinig zorgen. “We hebben welliswaar een deel van de markt verloren”, erkent divisie-directeur Luis Lada, “maar in absolute aantallen zijn we nog altijd de grootste groeier.” Ook de uitkomst van het vrije-marktbeding, dat door de Europese Commissie is aangezwengeld, lijkt Lada niet van zijn stuk te brengen.

Het idee is dat Telefónica op Airtel een voorsprong heeft gehad, in de vorm van het ontbreken van licentiegelden die de nieuwkomer aan de Spaanse staat moest afdragen. Brussel eist dat de staat alsnog een bedrag bij Telefónica in rekening brengt. “Er wordt daarbij geen rekening gehouden met het feit dat wij al sinds 1982 meebetalen aan de ontwikkeling van het GSM-systeem. Airtel had bovendien het voordeel dat de tarieven voor de analoge mobiele telefoons bevroren werden”, zo relativeert Lada het concurrentievoordeel. Uiteindelijk zal er wel een compromis tussen Spanje en Brussel worden gesloten, waarbij Telefónica hoopt de kwestie te kunnen verrekenen in de tarieven van de diensten die zij aan Airtel biedt.

Speerpunt in de groeistrategie bij Telefónica vormt de internationale tak van het bedrijf. De laatste jaren investeerde Telefónica op grote schaal in Zuid-Amerika. De buitenlandse belangen, ondergebracht in de aparte holding Tisa, zijn inmiddels goed voor bijna een kwart van de inkomsten. Telefónica neemt onder meer deel in lokale telecommunicatiebedrijven in Chili, Argentinië en Peru, landen waar de laatste jaren voor twee miljard gulden werd geïnvesteerd. Als eerste buitenlandse onderneming nam Telefónica eind vorig jaar een aandeel in een Braziliaanse telefoonmaatschappij. Mexico staat op het programma. “We zijn inmiddels gevraagd om in drie verschillende joint-ventures deel te nemen”, zegt Tisa-directeur Marcial Portela. “Maar we zullen in Mexico alleen deelnemen in een bedrijf als een Amerikaanse telefoonmaatschappij de zaak leidt.”

Combinatie met de grote telefoonmaatschappijen van de Verenigde Staten acht Telefónica van doorslaggevend belang in haar zogenoemde pan-Amerikaproject. Het doel is een pakket van diensten aan te bieden in verbindingen tussen het Europese en de Amerikaanse continenten, zo verklaart Portela. Door het aangaan van samenwerkingsverbanden heeft Telefónica daarbij niet direct een eigen infrastructuur ter plaatse nodig, al wordt gedacht aan een ambitieus kabelproject dat de continenten verbindt. “Uiteindelijk willen we uitgroeien tot de leider in de markt van Spaanssprekende en zelfs Latijnse landen”, aldus Portela. Ook de Verenigde Staten, met zijn ruim 30 miljoen Spaanssprekende inwoners, vormt een potentiële markt. In een aantal staten worden al experimenten gedaan met een speciale telefoonkaart voor lange-afstandsgesprekken. Met vijf grote operators, MCI, GTE, SBC Communications, Bell Atlantic en voormalige moedermaatschappij AT&T lopen gesprekken over het aangaan van strategische samenwerking.

Behalve een gedeeld verleden blijft AT&T voor Telefónica ook nu nog een belangrijke rol spelen als deelnemer van het internationale samenwerkingsverband Unisource, waarin ook het Nederlandse KPN, het Zweedse Telia en het Zwitserse PTT in deelnemen. “Deze samenwerking was defensief van opzet, om ons marktaandeel te beschermen”, verklaart topman Villalonga. De president noemt schaalvoordelen bij nieuwe produkten zoals bijvoorbeeld datatransmitting hèt grote voordeel van de samenwerking.

Uitgerekend de sterk expanderende houdstermaatschappij van de internationale deelnemingen vormt de inzet van een vreemd steekspel tussen de staat als scheidend aandeelhouder en Telefónica. De overheid bezit nog altijd 24 procent van de aandelen van Tisa. Eind vorig jaar, aan de vooravond van de privatiseringsoperatie, kreeg Telefónica het aan de stok met minister van Financiën Rodrigo Rato. De laatste dreigde het staatsaandeel in Tisa te verkopen aan de hoogste bieder.

Dat idee is, wat Telefónica betreft, defintief van de baan. “We hebben besloten dat wíj die 24 procent willen kopen”, zegt Portela met enige nadruk. “De doelstelling is dat de internationale tak straks tussen de veertig en de vijftig procent van het resultaat zal leveren. Dat willen we zelf houden.”

De kwestie wordt binnen Telefónica echter als uiterst ongemakkelijk ervaren. “Stel dat iemand het wil kopen, dan zal deze investeerder toch op onze medewerking moeten kunnen rekenen.” Met een onafhankelijk oordeel over de te betalen prijs hoopt Telefónica de politieke weerstand te doorbreken en alsnog het pakket zelf te kopen.

De wrijving over de bestemming van het Tisa-pakket, noch het gekibbel over de digitale televisie, had de afgelopen weken evenwel merkbaar effect op het aan de man brengen van de Telefónica-aandelen. Het te privatiseren aandelenpakket van de staat overtreft vele malen enige andere aandelenverkopen op de Spaanse kapitaalmarkt. Maar de belangstelling bij de voorinschrijving is dermate groot, dat besloten is om driekwart van de aandelen voor Spaanse beleggers te reserveren.

Aangezien het grootste deel van de nieuwe aandeelhouders bestaat uit de kleinere beleggers, lijkt de opzet geslaagd om met Telefónica het volkskapitalisme in Spanje een gezicht te geven. Met een publiciteitsbombardement op televisie, dagbladen, via straatreclames op de telefooncellen en in warenhuizen werden nieuwe beleggers over de streep getrokken. Een korting van vier procent op de referentie-prijs en een aandeel gratis bij de aankoop van twintig aandelen moet de apetijt verder verhogen. Ook zonder deze lokkertjes was het enthousiasme evenwel al groot: afgezien van de algehele beurseuforie van de afgelopen tijd bleek het aandeel Telefónica de laatste jaren een aantrekkelijke belegging. Beleggers die eind 1995 meededen in het aanbod van de tranche Telefónica-aandelen zagen hun belegging meer dan in waarde verdubbelen.

Villalonga heeft bij verschillende gelegenheden onderstreept dat de privatisering van Telefónica een moderne, beursgenoteerde onderneming maakt, met alle doorzichtigheid die daarbij hoort. Ook in dat opzicht zijn de verwachtingen rond de beursgang van het telecommunicatiebedrijf hoog gespannen: het Angelsaksisch bedrijfsmodel is in Spanje nog tamelijk uitzonderlijk, zeker op deze schaal. Veel bedrijven worden nog alijd geleid door managers en bestuursleden die hun positie vooral te danken hebben aan de juiste (politieke) contacten.

Vorige week werd de nieuwe, achttien leden tellende raad van bestuur van Telefónica ingesteld. De helft bestaat uit onafhankelijke leden afkomstig uit het bedrijfsleven en de universiteit. “Deze mensen zijn gekozen op basis van hun verdiensten en niet wegens hun politieke voorkeur”, aldus Villalonga. De benoeming maakt deel uit van de toepassing van de regels van het zogenoemde Cadbury Report, een code die in 1993 werd vastgelegd voor beursgenoteerde ondernemingen in Groot-Brittannië. Een toepassing die in Spanje als redelijk uniek mag worden beschouwd.

Ironisch genoeg was de benoeming van Villalonga (43 jaar) vorig jaar minder volgens de internationale standaarden. De voormalig directeur van de Iberische vestiging van Bankers Trust is een van de persoonlijke vrienden met wie premier Aznar graag een potje paddle-tennis speelt. Benoemingen van persoonlijke of politieke vertrouwenslieden op posten in overheidsbedrijven zijn niet ongebruikelijk in Spanje.

De nieuwe president van Telefónica, die na de politieke machtswisseling vorig jaar werd benoemd, heeft weinig ervaring op de telecommunicatiemarkt en bij het leiden van grootschalige bedrijven. Critici menen dan ook dat Villalonga geen eigen ideeën heeft over de strategie op langere termijn. Anderzijds wordt de nieuwe president geprezen voor het aanstellen van zijn voorganger, Cándido Velázquez, als adviseur van de bedrijfsleiding. Velázquez wordt gezien als de man die de voorgaande jaren drastisch de bezem haalde door het vastgeroeste Telefónica en het bedrijf zo klaarstoomde om op eigen benen de eenentwintigste eeuw binnen te treden.

Alle onafhankelijkheid ten spijt zal Telefónica in zijn nieuwe vorm onder grote invloed staan van de Spaanse banken BBV, Argentaria en de Caixa. De drie banken hebben zich verplicht om ieder vijf procent van het aandelenkapitaal vast te houden. Met zes leden in de raad van bestuur vormen zij een stabiele machtsfactor en een latente verzekering tegen mogelijke vijandige overnemingen in de toekomst. Villalonga ontkent desgevraagd dat er nadere afspraken met de banken zijn gemaakt. “Ze kunnen handelen zoals ze willen en hebben de volledige vrijheid om hun aandelen te kopen of te verkopen.”

Maar het wantrouwen blijft: volkskapitalisme belijden is één ding, maar een groot bedrijf dat zegt openheid te willen betrachten aan liefst zoveel mogelijk aandeelhouders, roept in Spanje een gezonde argwaan op. “Is Telefónica werkelijk bereid tot zo'n vertoon van deugdzaamheid en bereid inzicht van zaken te geven”, vroeg een van Spanjes zakelijke dagbladen zich af. Zo ja, dan is er sprake van een daadwerkelijke revolutie op het Iberische schiereiland. Villalonga heeft naar eigen zeggen de Cava-champagne al koud staan. “We zijn nu al tevreden”, meent hij. “Maar het wordt pas echt een groot succes, als we straks meer dan een miljoen aandeelhouders hebben.”