Boedapest dreigt Moskou aan de Donau te worden

BOEDAPEST, 7 FEBR. Hongarije is na het communisme gewend geraakt aan bommen, granaten en machinegeweren. Het zijn de instrumenten van het métier waarmee de georganiseerde misdaad in Boedapest al een half jaar lang concurrentiegeschillen beslecht. Maar de aanslag van vorige week vrijdag was een keerpunt: voor het eerst vielen onschuldige slachtoffers in de bende-oorlog.

De vrouw en dochter van de eigenaar van een populair Chinees restaurant in Boedapest kwamen om het leven toen een M-52 granaat van Joegoslavische makelij in het toilet ontplofte.

De ooit zo vredige hoofdstad begint een Moskou aan de Donau te worden, waar mafiose benden elkaar bevechten en de politie machteloos moet toekijken. Na de ontploffing in het Chinese restaurant klaagde de commissaris van politie in Boedapest, Attila Berta, dat de politie geen stap verder komt in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, omdat de slachtoffers uit angst voor represailles niet praten. Zo blijft de vraag of het een afrekening in het Chinese milieu betrof, of dat er afpersers van andere origine achter zaten.

“Ik denk dat het de Russische mafia is”, verklaarde een Chinese winkeleigenaar anoniem tegen de krant Blikk. “Ze zijn jaloers omdat wij meer winkels hebben dan zij, en dat wij succes hebben met hard werken en niet door de misdaad.” Drie dagen na de aanslag met dodelijke afloop ontploften er weer twee benzinebommen bij een Grieks restaurant, dat gedeeltelijk in brand vloog. Ook ontploften twee handgranaten bij het parkeerterrein van een autohandelaar. Bij twaalf eerdere explosies in bars, restaurants en discotheken vielen geen gewonden. Meestal verliepen ze volgens hetzelfde patroon: na sluitingstijd werden de granaten vanuit een voorbijrijdende auto naar binnen gegooid, en de daders verdwenen in de nacht. De slachtoffers vielen bij onderlinge afrekeningen, vaak in de beter gesitueerde wijken in de heuvels van Boeda, waar de bendeleden huizen hebben betrokken.

Een beruchte onderwereldkoning, József Prisztás, werd achter het stuur van zijn auto doodgeschoten. Drie anderen raakten bij schietpartijen zwaargewond en moesten in het ziekenhuis onder politiebescherming worden behandeld.

De groei van de criminaliteit is sinds de val van het communisme een algemeen verschijnsel in Centraal- en Oost-Europa. Het aantal geregistreerde misdaden, vooral diefstal en fraude, steeg in Hongarije van 341.000 in 1990 tot 502.000 in 1995. Vooral de diefstal van auto's - 30 tot 35 per dag alleen in Boedapest - nam sterk toe. Hongarije werd als redelijk welvarend land in het hart van Europa een aantrekkelijk werkterrein voor criminelen uit Joegoslavië, Roemenië, de Oekraïne en Rusland. De politie schat dat er acht tot tien misdaadorganisaties in Boedapest werkzaam zijn, die elkaar bevechten om territorium en geld. De bendes zijn vooral actief in oliesmokkel, autodiefstal en prostitutie.

Veel Hongaren vinden het moeilijk deze schaduwzijde van de vrije markt te accepteren. Hongaarse politici die de onvrede van de kiezers aanvoelen roepen keer op keer om harde aanpak van de misdaad. Dergelijke oproepen worden vaak gevolgd door een nieuwe ontploffing. De politie krijgt dan de schuld. In een reactie op de kritiek ontsloeg minister Gabor Kuncze in december een deel van de politietop: het hoofd van de nationale politie Pintér, de commissaris van politie in Boedapest, Bodrácska, en de commissarissen Turós en Valenta, verantwoordelijk voor de afdelingen algemene veiligheid en inlichtingenwerk. Zij werden gezamenlijk verantwoordelijk gehouden voor de mislukkingen in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, want behalve vergeefse huiszoekingen en controles op straat heeft de politie nog weinig laten zien.

Maar de wisseling van de wacht lost de structurele problemen van de Hongaarse politie niet op. De politie is onderbetaald en heeft nauwelijks de middelen om een moderne mafia-organisatie te bestrijden. “Het is heel moeilijk een politie-organisatie te leiden, wanneer de agenten geen eten kunnen kopen of schoenen voor hun kinderen”, verklaarde de politiechef van de regio Csongrád, László Salgó, onlangs in een vraaggesprek. Een beginnende politieman verdient netto zo'n 275 gulden in de maand, terwijl de leiding hooguit zeshonderd gulden verdient.

De lage salarissen nodigen uit tot “bijverdienen” - en waarschijnlijk niet alleen bij het kleine vergrijp van de foutparkeerder die een coulante behandeling kan krijgen wanneer hij niet om de bon vraagt. De politieleiding schorste vorige week zes politiemannen die bonnen hadden uitgeschreven voor eigen gewin.

De regering van premier Gyula Horn zal volgens deskundigen haar stoere taal moeten omzetten in een betere uitrusting van de politie en hogere salarissen, wil de aanpak van de georganiseerde misdaad effect sorteren. De commentator van een weekblad stelde onlangs voor de 700 miljoen dollar per jaar die Hongarije nodig heeft om toe te treden tot de NAVO te gebruiken om het jaarsalaris van iedere agent met tweehonderd gulden te verhogen - de vijand binnenslands is immers duidelijker zichtbaar dan de vijand van buiten.

De oppositie in het parlement eiste vorig jaar al het aftreden van minister Kuncze. Hij zou de politieke verantwoordelijkheid moeten nemen voor het falen van de politie. De politieke consequenties werden toen nog afgewend door het ontslag van de politietop. Maar nu er onschuldige slachtoffers beginnen te vallen, zal voor de bewindsman iedere explosie luider klinken.

    • Peter ter Horst