Biografie van Primo Levi (1919-1987); Zijn woorden raakten los van hemzelf

Myriam Anissimov: Primo Levi, ou la tragédie d'un optimiste.

Lattès, 698 blz. ƒ 175,-

Niet gehoord, niet begrepen: tijdens het jaar dat hij in Auschwitz gevangen zat, kreeg Primo Levi keer op keer dezelfde nachtmerrie. Liggend op zijn strozak, rug aan rug met een andere Häftling droomde hij van zijn thuiskomst uit het kamp. Zijn zuster was er, een paar vrienden, en een groot aantal onbekenden. Omstandig doet Levi verslag van de ontberingen en vernederingen: de drukkende aanwezigheid van zijn buurman in bed, die hij niet durft weg te duwen omdat die sterker is dan hij; de luizencontrole; de Kapo die hem op een dag op zijn neus heeft geslagen en hem vervolgens weggestuurd heeft om het bloed van zijn gezicht te wassen. 'Het is een intens, fysiek, onuitsprekelijk genot: ik ben in mijn huis, met mijn vrienden en ik heb zo ontzettend veel te vertellen; maar ik moet nu wel merken dat mijn toehoorders me niet volgen. Mijn verhaal laat hen zelfs totaal onverschillig: ze praten met en door elkaar over andere dingen, alsof ik er niet ben. Mijn zuster kijkt me aan, staat op en gaat zonder iets te zeggen weg.'

Na zijn werkelijke terugkeer uit Auschwitz was het voor Primo Levi vertellen of sterven. Toen hij in de herfst van 1945, na maandenlange omzwervingen door Polen en Wit-Rusland, eindelijk bij zijn ouderlijk huis in Turijn aanbelde, wist hij dan ook niet van ophouden. 'Ik keerde terug uit het kamp met een absoluut pathologische drang om te verhalen', zei hij later in een interview. Met overgave proefde hij 'het bevrijdende genot van het vertellen'. En aanvankelijk luisterde iedereen. In haar biografie van de schrijver-chemicus vertelt de schrijfster Myriam Anissimov hoe zijn vrienden en familieleden in de dagen na zijn terugkeer uit Auschwitz zijn ouderlijk huis aan de Corso Re Umberto in en uit liepen en vaak nachtenlange gesprekken voerden over zijn ervaringen.

Auschwitz

Maar vertellen alleen was niet genoeg, dat besefte Levi al toen hij nog in het kamp zat. Er moest getuigd worden. Dat was niet alleen een diepe innerlijke behoefte, het was de morele plicht van de overlevende. De wereld zou weten wat in Auschwitz was gebeurd. Het onbeschrijfelijke moest en zou beschreven worden, in zorgvuldig afgewogen, zuivere woorden, doorzichtig als glas, hard als marmer - zodat geen enkel misverstand zou kunnen ontstaan over wat de Nazi's hadden gedaan. Met de intellectuele rigueur van de wetenschapper die hij was, schreef Levi direct na zijn terugkeer over de naakte waanzin van het bestaan in Monowitz-Auschwitz III, alias de Buna - waar hij te werk gesteld was in een rubberfabriek van het chemieconcern I.G. Farben. Is dit een mens, zijn getuigenis, voltooide hij binnen een jaar na zijn terugkomst.

Levi, de brave, timide zoon van een welgestelde joodse ingenieur uit Turijn, geworteld in een geassimileerd burgerlijk milieu, was in de jaren dertig chemie gaan studeren uit romantische overwegingen: hij wilde het leven terugbrengen tot zijn essentie. Zijn loopbaan werd onderbroken door de toennemende vervolging van de Italiaanse joden na 1938. Samen met een aantal vrienden werd hij als amateurpartizaan gearresteerd in de bergen nabij Turijn en vervolgens op transport gesteld. Toen hij het zwarte gat van Auschwitz overleefd had, zag hij het als zijn taak zijn kampervaring te ontleden tot de onbegrijpelijke kern, de overweldigende, redeloze en grenzeloze wreedheid van de nazi's.

Zijn ervaringen beschreef hij zo nauwkeurig mogelijk, omdat hij inzag dat het concentratiekamp niet los stond van de wereld. Integendeel, de extreme omstandigheden van het Lager onthulden menselijke eigenschappen in hun naakte essentie. 'Ik ben ervan overtuigd', schreef Levi in Is dit een mens, 'dat geen enkele menselijke ervaring zinloos of te verwaarlozen is, en bovendien dat de bijzondere wereld die ik hier beschrijf fundamentele, zij het niet altijd positieve waarden onthult. Men bedenke dat het Lager ook en niet in de laatste plaats een reusachtig biologisch en sociaal experiment is geweest.'

Die toon: precies, beheerst, klassiek, is de grootste kracht van Is dit een mens, een boek dat vijftig jaar na verschijning nog altijd een verpletterende indruk achterlaat. Juist omdat de schrijver zich de onderkoelde blik van de wetenschapper eigen heeft gemaakt, lukt het Levi de duistere mechanismen van het kampleven bloot te leggen, het proces waarmee de Häftling ontdaan wordt van alles wat hem menselijk maakt.

Slachtoffer

Levi verzette zich zijn leven lang tegen de gemakzuchtige notie dat beulen en slachtoffers inwisselbaar zijn, afhankelijk van de omstandigheden. Hij wist dat hijzelf een onschuldig slachtoffer was, en bleef op het standpunt staan dat misdaden gestraft moesten worden, berouw of geen berouw. Maar Auschwitz had hem aan den lijve doen ondervinden dat je slachtoffers in hun strijd om te overleven tot afzichtelijk gedrag kunt brengen. In Is dit een mens registreert hij behalve de wreedheden van de nazi's ook het wantrouwen tussen de Häftlinge onderling, het stelen van elkaar, de collaboratie en het verraad op afstandelijke, bijna vanzelfsprekende toon. In zijn laatste boek, het onthutsende De verdronkenen en de geredden (1986), is die wetenschap tot een ondraaglijke last geworden. Levi geeft daar onder andere het voorbeeld van de Sonderkommando's, speciaal geselecteerde groepen gevangenen, die de gaskamers bedienden en de lijken opruimden.

Die commando's noemt hij 'de meest demonische misdaad van het nationaalsocialisme'. Door joden andere joden te laten vergassen (waarna de Sondercommando's op hun beurt ter dood werden gebracht), werden de slachtoffers tot daders gemaakt. 'Het bestaan van de Sondercommando's had een betekenis, hield een boodschap in: 'Wij, het Herrenvolk, vernietigen jullie, maar jullie zijn niet beter dan wij; als we dat willen, en we willen het, kunnen wij niet alleen jullie lichaam, maar ook jullie ziel vernietigen, net als we het met onze eigen ziel hebben gedaan.'

Het duurde lang voordat Levi's boek tot de wereld doordrong; in 1966 spoelden zeshonderd resterende exemplaren van de eerste druk uit 1947 weg in de overstroming die Florence in 1966 trof. Na Is dit een mens keerde Levi het geschreven woord teleurgesteld de rug toe en werkte hij als chemicus in een verffabriek, waarvan hij uiteindelijk directeur zou worden. Levi deelde met Joseph Conrad, één van zijn favoriete schrijvers, het geloof in de reddende kracht van werken. In haar biografie verslaat Anissimov uitgebreid de verbale schermutselingen tussen Levi en de linkse politieke intellectuelen, naar aanleiding van zijn lofzang op het arbeidsethos in zijn roman De kruissleutel (1978). Dat Levi hun definitie van de fabrieksarbeid als een vorm van slavernij met felle stelligheid weersprak, verbaast niet. Naast het woord was zijn werk een toevluchtsoord.

Pas in 1961, zijn eerste boek was toen inmiddels herdrukt en dit keer wèl opgevallen, ging hij weer aan zijn schrijftafel zitten. In Het respijt (1963) verhaalt hij van de opwindende zwerftocht die hij na zijn bevrijding uit het kamp door Oost-Europa maakte, de avontuurlijke maanden die hij als het hoogtepunt van zijn leven beschouwde. Levi's reputatie als chroniqueur van de holocaust groeide langzaam maar gestaag; voor de literaire wereld bleef hij echter een chemicus die wel eens een boek schreef. Pas Het periodiek systeem (1972), een mooi geconstrueerde autobiografie, waarin Levi het gedrag van de chemische elementen het raamwerk van zijn leven laat zijn, maakte hem tot een schrijver Daarna waagde Levi zich aan twee romans, die geprezen en bekroond werden. Wie ze nu leest, merkt dat ondanks Levi's vakkundigheid, zijn humanisme en objectiverende blik zijn verbeelding in de weg zaten.

Zelfmoord

De zelfmoord van Primo Levi in het voorjaar van 1987 - hij wierp zich in de liftkoker van het huis waarin hij zijn hele leven had gewoond - veroorzaakte een schok met een resonans tot ver voorbij zijn persoonlijke drama. Waarom juist hij? Voor veel van zijn lezers was Levi één van de weinigen die het kamp werkelijk overleefd hadden, iemand die opnieuw zin in het leven had ontdekt dankzij de macht van het woord. De beheersing waarmee hij zijn gruwelijke ervaringen optekenende, het ontbreken van onmachtige woede of zelfbeklag, had hem wereldwijd de reputatie bezorgd van een humanist, die in staat was gebleken onder de allerergste omstandigheden zijn waardigheid te behouden.

Levi was een lichtend voorbeeld geweest. Na zijn plotselinge dood schreef G.L. Durlacher: 'Hij beschreef de donkerste periode van zijn, van onze, geschiedenis, maar toonde mij dat menselijke waardigheid zelfs in de hel op het nulpunt der beschaving kon blijven voortbestaan. De mensen die hij schildert zijn ontdaan van elk cultuurvernis, maar in hun naaktheid blijven zij mensen, vaak groot in hun nietigheid, nooit gedegradeerd tot het minderwaardig ongedierte waartoe de nationaal-socialisten ons wilde reduceren.'

Maar is dat zo? We willen het allemaal graag geloven. Auschwitz vraagt om een antwoord - een bevestiging van onverwoestbare humane impulsen. In de autobiografische boeken van Levi komen inderdaad mensen voor die groot zijn in hun nietigheid, mannen die belangeloos een helpende hand uitsteken, die bijna achteloos een leven redden. Onvergetelijk is ook de passage uit Is dit een mens waarin Levi zich overeind houdt door tegen een Franse medegevangene Dante te citeren - cultuur als reddingsboei. Maar het algemene beeld van de mensheid dat oprijst uit Levi's boeken is allesbehalve optimistisch of humanistisch. Al in dat eerste boek laat Levi er geen misverstand over bestaan: afgezien van de massavernietiging, is het ergste wat de nazi's de joden in de kampen hebben aangedaan dat ze hen niet alleen hun menselijkheid ontzegd hebben, maar ook werkelijk ontnomen. Keer op keer houdt Levi zijn lezers voor dat waardigheid in het kamp het allerschaarste goed is - iets dat vernietigd kan worden.

In zijn laatste getuigenis, De verdronkenen en de geredden, blijken zijn herinneringen doortrokken van persoonlijke gevoelens die in zijn eerdere werk onderhuids bleven: schuld, schaamte en woede. Degenen die het kamp overleefd hebben, Levi zelf incluis, waren niet de besten. Levi: 'Wie in leven bleven, waren bij voorkeur de slechtsten, de egoïsten, de woestelingen, de hardvochtigen, de collaborateurs van de 'grijze laag', de spionnen. [...] De slechtsten, dat wil zeggen de best aangepasten, overleefden; de besten zijn allemaal dood.' Hij memoreert zijn levenslange schuldgevoel omdat hij in het kamp een restje water uit een verborgen kraan heeft opgedronken, zonder het te delen met een kameraad. Iedere keer wanneer hij die vriend op een reünie ontmoet, denkt Levi met schaamte aan dat voorval.

Verdwenen is de zorgvuldig doordachte, verlichte redeneertrant waarmee Levi altijd wordt vereenzelvigd. Niemand zal serieus willen beweren dat de overlevenden van de kampen hun leven te danken te hebben aan hun egoïstische gedrag jegens hun kampgenoten. Maar Levi voelt het zo. Het is een schuld die niet uit te wissen valt, juist omdat hij het kamp heeft overleefd. Hij kan zich niet onttrekken aan het gevoel dat hij de plaats van een ander, een beter mens, inneemt. Wat zijn ervaringen in Auschwitz hem bezorgd hebben, is de knagende notie dat 'ieder mens de Kaïn van zijn broeder is'. De doden hebben geen stem, de overlevenden spreken uit hun naam. Maar Levi geeft toe dat hij niet weet of hij dat doet uit een morele plicht jegens 'de verstomden', of juist om zich aan de herinnering aan hen te bevrijden.

Het is de Amerikaanse essayiste Cynthia Ozick geweest, die het eerste over deze bijna tastbare woede in dit laatste boek schreef, over de oud-testamentische toorn die Levi uitstort over de hoofden van de schuldigen en de onverschilligen, in de eerste plaats de Duitsers. In het laatste hoofdstuk bekeek Levi brieven met zelfbeschuldigingen en spijtbetuigingen van Duitse lezers met onverzoenlijke argwaan: 'woorden zijn niet genoeg'. Toen die woede eenmaal loskwam en Levi deed wat hij in andere overlevenden van het kamp altijd veroordeeld had, namelijk 'terugslaan', was het te laat.

Onmacht

Woorden zijn niet genoeg - dat moet ook voor Levi zelf gegolden hebben. Achter zijn woede tekent zich onmacht af, zo groot dat hij erdoor overweldigd werd. Wat hij aan het einde van zijn leven gevoeld moet hebben, is de ontoereikendheid van het vertellen. Van levende herinnering werd Auschwitz langzaamaan geschiedenis, de holocaust steeds meer een verhaal in plaats van werkelijkheid. Tijdens zijn bezoeken aan scholen ontmoette Levi steeds vaker kinderen die hun ideeën over de jodenvervolging hadden opgedaan uit Hollywoodfilms. Ondanks al zijn feitelijkheid, zijn onopgesmukte weergave van eigen ervaringen, klonken er in de jaren tachtig pseudo-wetenschappelijke stemmen die de holocaust ontkenden en Auschwitz een leugen durfden noemen. De werkelijkheid ging steeds meer op zijn nachtmerrie uit het kamp lijken: hij vertelde nog wel, maar het leek alsof men niet meer echt luisterde. Erger nog, ook zijn eigen geheugen werd slechter. In tijden van depressie, vertelt Anissimov in haar boek, moest hij zijn eigen boeken erop naslaan om zich te herinneren wat hij beleefd had.

Bij zijn thuiskomst uit het kamp had hij zijn hoop gevestigd op het woord. Zijn taal, dat 'Italiaans van marmer', zoals een bevriende criticus het uitdrukte, 'was zijn Heimat geworden'. Maar het was gifgrond waarop hij zijn verlichte oeuvre had gebouwd. De zuivere woorden dreigden bezoedeld te raken, hun betekenis te verliezen door het verstrijken van de tijd, door het slechte geheugen van de mensen en het onvermogen of de onwil de realiteit van Auschwitz werkelijk voor te stellen. Bovendien had hij alles gezegd, meer dan één keer zelfs. Zijn woorden raakten los van hemzelf. Hij had, schreef hij, het gevoel dat hij uitverteld was.

In zijn laatste jaren was zijn bestaan op het claustrofobische af verstild. Samen met zijn vrouw moest hij zorgen voor zijn eigen stokoude en dominante moeder en die van zijn echtgenote. Iedere kans op avontuur was verkeken. En toch waren de woorden tekort geschoten in de belangrijkste opdracht die hij zichzelf had gegeven: te doorgronden wat de Duitsers bewogen had, waarom Auschwitz er geweest was. Wat hij wel kon beschrijven, maar niet oplossen, was het raadsel van het kwaad. Zijn getuigenis was niet de gehoopte bevrijding geweest, maar slechts een bezwering.

De biografie van Anissimov is zorgvuldig en uitvoerig, al te uitvoerig. Levi hield zich in zijn autobiografische boeken strikt aan de feiten en zijn biografe kan dan ook meestal weinig anders doen dan zijn eigen relaas op de voet volgen, aangevuld met historische informatie en commentaren achteraf. Gelukkig heeft ze wel oog voor de gevolgen van zijn tragische gespletenheid, zodat zijn dood reliëf krijgt. De feiten van Levi's leven - afgezien van zijn kampperiode en de maanden daarna weinig opzienbarend - staan weliswaar keurig op een rijtje, maar lezers zullen de voorkeur blijven geven aan het heldere destillaat in Levi's eigen boeken.

In een van de laatste interviews met hem voor zijn zelfgekozen dood beweerde Levi nog eens wat hij al zo vaak had gezegd: dat hij, man van de Verlichting, wegens Auschwitz niet langer in God of de Voorzienigheid kon geloven. Toen hij de tekst onder ogen kreeg, schreef hij er met potlood bij: 'Ik vind de oplossing van het dilemma niet. Ik zoek wel, maar vind haar niet.' Wat zich in zijn fatale wanhoop aan hem geopenbaard moet hebben, is die atavistische angst die hij beschrijft in zijn laatste boek, de angst van een overlevende van de kampen. Het is 'de angst waarvan men de echo hoort in het tweede vers van Genesis: de diep in ons allen levende vrees voor het 'tohoe wawahoe', het woeste en ledige heelal, verpletterd onder de geest van God, onbekend met de geest van de mens: nog niet geboren of al gestorven.'

Wie die angst begrijpt, begrijpt de tragedie van Primo Levi.