Provisie bemiddelaar gaat klant verzekeraar niet aan

Zijn verzekeraars starre types die zich vanwege het eigen gewin vastklampen aan geheimzinnige regels en een ondoorzichtige provisiestructuur ten koste van de consument? Hij zei het niet met dezelfde woorden, maar dat beeld zal bij menigeen zijn blijven hangen na lezing van het artikel, dat 'zelfstandig financieel adviseur' J.H.M. Duijvestijn onder de kop 'De ontmythologisering van de polis' in NRC Handelsblad van 18 januari schreef.

Duijvestijn pleit ervoor dat aan de klant duidelijk wordt gemaakt hoeveel provisie een assurantietussenpersoon bij het afsluiten van een verzekering krijgt. De redenering is dat er misschien wel eens te veel aan de strijkstok blijft hangen, waardoor eigenlijk de premie omlaag zou kunnen. Duijvestijn hoopt dat minister Wijers van Economische Zaken de praktijk van de 'verborgen' provisie wil veranderen, maar hij voorspelt dat de verzekeraars zich daar met alle mogelijke argumenten tegen zullen verzetten, omdat het huidige systeem zo voordelig voor hen is.

Helaas voor de liefhebbers van complottheorieën. Economische Zaken wil niet dat er een verplichting komt om aan te geven hoeveel de provisie van assurantietussenpersonen bedraagt. Terecht: dat gebeurt bij de verkoop van koelkasten of margarine ook niet. De minister wil wel een einde maken aan de wettelijke beloningsstructuur, zodat in vrijheid de vorm en de wijze van beloning van tussenpersonen kunnen worden bepaald.

Duijvestijn slaat de plank nogal eens mis in zijn artikel. Hij suggereert bijvoorbeeld dat de gang van zaken rond provisies berust op afspraken tussen verzekeraars. Niet juist: het is een wettelijke regeling op grond van de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb). Hij denkt ook dat de wet maximumprovisies kent. Mis: de wet kent die niet. Zo onderbouwt hij zijn betoog met meer voorbeelden die feitelijk niet kloppen. Ik ga daar niet verder op in, omdat het weinig toegankelijke, vaak technische details betreft. Belangrijker is, dat een onderwerp wordt aangesneden dat past in de huidige ontwikkelingen in de verzekeringswereld en de veranderende opstelling van de wetgever.

Tientallen jaren is er rust geweest aan het verzekeringsfront. Wetgeving, zelfregulering en toezicht garandeerden altijd een stabiele, betrouwbare situatie waarin verzekeraars hun verplichtingen naar behoren konden nakomen. Dat is in het belang van de consument. De Verzekeringskamer houdt daarbij de financiële positie van de verzekeraars in de gaten. Zij mogen niet failliet gaan. Wanneer er toch wat mis gaat vangt het gezonde deel van de bedrijfstak dat zo goed mogelijk op. Het Verbond van Verzekeraars houdt de vinger verder nauwlettend aan de pols.

De wetgever stelt de basisregels op, zoals in de Wabb. Dat is essentieel voor de consument. Verzekeren is een kwestie van vertrouwen. De huidige regels zijn goed. Niet voor niets verdedigde Wim Kok als minister van Financiën in 1991 bij de herziening van de Wabb de wet als ordentelijk en adequaat. Zo is Nederland een land geworden waar - internationaal gezien - tegen een lage prijs een uitstekend pakket voorwaarden wordt aangeboden. Er wordt eerlijk met de klant 'afgerekend'. Deze ziet bij alle verzekeraars een all in-bedrag dat hij kan vergelijken. De provisie is daarin opgenomen. Tussenpersonen sturen geen aparte nota's voor hun advies. Het is no cure-no pay: als de verzekering niet doorgaat, betaalt de consument niets. Het wettelijk systeem is duidelijk in het voordeel van de consument.

Maar de markt verandert, verhoudingen veranderen en de spelers veranderen. In die fase zijn we beland. De huidige wetgeving die voor de stabiele situatie zorgt, staat onder druk. Het probleem is, dat op het ogenblik steeds fragmentarisch zaken worden aangepast en aangepakt. De discussie woedt volop over onderwerpen als mededinging, de actuele waarde van de Wabb, maximumprovisie of de kwaliteit van de assurantiebemiddeling zonder dat echter fundamenteel wordt bekeken wat de optelsom van deze veranderingen op onderdelen uiteindelijk voor het hele bouwwerk teweegbrengt.

Dat is de ergernis van ons als verzekeraars (van assurantietussenpersonen ook trouwens). We willen ons niet met alle mogelijke argumenten verzetten tegen veranderingen, omdat we hoe dan ook tegen vernieuwingen zouden zijn. Maar we willen het huidige bouwwerk, dat is gefundeerd op lage prijzen, goede voorwaarden, een betrouwbaar aanbod, het nakomen van verplichtingen en duidelijkheid voor de klant, niet stukje voor stukje laten afbreken zonder dat we zicht hebben hoe het nieuwe bouwwerk eruit gaat zien.

En dat zicht is nodig omdat verzekeraars moeten kunnen garanderen dat ze aan hun verplichtingen voldoen. Maatschappelijk gezien is iedere burger daarvan afhankelijk. Dat is van een andere orde dan koelkasten of margarine verkopen. In de verzekeringswereld moet vanwege die maatschappelijke functie daarom wel optimale, maar geen maximale concurrentie heersen. Een aantal principes uit de wet zal hoe dan ook overeind moeten blijven, zoals het bevorderen van kwalitatief goede en onafhankelijke advisering, het scheppen van een duidelijke rechtspositie van consument en adviseurs, het waarborgen van een goede toegankelijkheid tot assurantiebemiddeling en goede distributiekanalen.

Als niet over dat hele bouwwerk wordt gediscussieerd, zijn incidentele veranderingen op onderdelen gevaarlijk. Dan kan er beter niets veranderd worden, omdat het huidige stelsel - om de woorden van Kok te herhalen - adequaat en ordentelijk is. Alles hoeft niet per se bij het oude te blijven, maar je moet het kind niet met het badwater weggooien. Er is nieuw evenwicht nodig. Maar daarover moet een allesomvattende discussie worden gevoerd, die veel verder gaat dan bakkeleien over provisies.