Mode is een must voor de 'fashion victim' Een maandinkomen voor een leren broek

Ze weten precies wat het modebeeld is en ze kleden zich ernaar, of het nu weinig of veel geld kost. Voor fashion victims is kleren kopen belangrijker dan warm eten.

De kledingindustrie mag dan mopperen op de weinig mode-gevoelige Nederlandse consument, ook ons land kent zijn 'fashion victims'. 'Fashion victim' is de geuzennaam voor mode-liefhebbers bij wie het er al lang niet meer om gaat of kleding 'warm' is, of comfortabel; ze zijn geobsedeerd door de creaties van ontwerpers. De fashion victim geeft zoveel mogelijk geld uit aan een garderobe met kleren van Chanel, van Dries van Noten, Vivienne Westwood of Gucci. Bij sommigen gaat de liefde voor de ontwerper zo ver dat ze het beeldmerk van Chanel op hun kuiten laten tatoeëren, of een hele maand uitkering besteden aan een broek van Gucci of Agnès B., onder het motto 'Eerst die broek en dan zien we wel verder'.

Voor wie veel geld heeft lijkt het dan ook niet zo moeilijk om als tevreden fashion victim door het leven te gaan. Maar er is meer. Het echte 'mode-fatje' koopt niet alleen graag ontwerperskleding, hij wil er ook alles over weten. Op de hoogte blijven van de voorschriften van mode-land is van levensbelang. Tijdschriften als de Engelse Vogue, de Amerikaanse Vogue, de Italiaanse Vogue, Harper's Bazaar, The Face, de I-D, Marie-Claire, Elle, Arena en GQ worden maandelijks verslonden. En dan niet alleen de modereportages, maar net zo goed de foto's van popsterren of party-bezoekers - want ook die kunnen iets verraden over de toekomstige koers van de mode en 'stijl'. Daarom is het kennis nemen van populaire films of boeken van even groot belang: uit het kleinste detail kan een trend groeien.

Joost van Bellen (34), André Noorda (33), Anita van de Berg (42) en Peter Jeroense (30) vinden zichzelf in meer of mindere mate een 'fashion victim'. De zwaartepunten verschillen: voor de een gaat het vooral om het kopen, voor de ander om het wéten. André Noorda besteedde recentelijk een maandinkomen aan een leren broek, en zegt met overtuiging: “Ik vind schoenen kopen belangrijker dan warm eten.” Anita van den Berg woont in 's Gravenmoer en is samen met haar man eigenaar van meubelfabriek Montis. Zij ziet haar fascinatie met mode en ontwerpers in het licht van een algehele liefde voor 'vorm', of het nu architectuur is, mode of vormgeving. “Ik hou van monumentale vormen; gestileerde designs. Daarom draag ik uitsluitend zwart of wit, geen kleuren en geen motieven. Dan komt het pure ontwerp het best tot zijn recht”, zegt Van den Berg.

“Ik koop voornamelijk kleren van Japanse ontwerpers - Comme Des Garçons, Yohji Yamamoto en Issey Miyake”, zegt Van den Berg. “Comme Des Garçons is mijn favoriet. Ontwerpster Rei Kawakubo heeft een fantastisch materiaalgebruik en ze is heel vooruitstrevend. Met haar ontwerpen loopt ze zo voor dat je ze jaren aan kunt. De rokken bijvoorbeeld hebben altijd een grapje, ze lijken een broek maar zijn toch rok.” Van den Berg verhuisde tien jaar geleden naar een klein, streng gereformeerd dorpje in Brabant. Daar werd ze het eerste half jaar vreemd aangekeken. “Ik had knalrood haar en droeg een lange leren jas met flappen. Men vond me maar een 'stadse'. Toen ben ik overal lid van geworden, van de voorleesmoeders op school tot en met de tennisvereniging. Inmiddels hebben ze me geaccepteerd.”

Van den Berg winkelt niet vaak. “Ik doe het twee keer per jaar grondig, als de nieuwe collecties binnen zijn. Maar ik lees alle modebladen zodat ik precies weet wat Het Modebeeld is.” Peter Jeroense uit Rotterdam doceert modeontwerpen op de Akademie in Den Haag en is freelance medewerker van ontwerper Alexander van Slobbe. Ook hij bestudeert alles wat met mode te maken heeft, van de Koran ('Ik wilde weten waar die sluier vandaan komt') tot àlle stijl- en modetijdschriften. “Vooral het vergankelijke aspect vind ik aantrekkelijk, zowel van het verschijnsel mode, als van de bladen; ook The Face ligt maar een maand in de winkel. Ik wil het allemaal lezen, en ik bewaar alles. Toen ik in Parijs Le Figaro zag met op de voorkant een foto van een Yves Saint Laurent-creatie heb ik hem meteen gekocht. Juist vanwege het feit dat die krant alleen die éne dag daar ligt.”

Voor deze 'fashion victims' geldt dat het lezen en kennisnemen over stijl en mode een obsessie is, die los staat van het zelf dragen. Maar disc-jockey Joost van Bellen is vooral belust op de aanschaf van kleren, bij voorkeur als hij in een slechte bui is. Zijn modebewustzijn ontstond begin jaren tachtig toen hij veel in discotheek De Koer kwam, in Amsterdam. Het was de periode dat de door Vivienne Westwood geïnspireerde 'piraten-mode' populair was: het uitgaanspubliek verfde het haar zwart, droeg blouses met ruches en hoge laarzen met gespen.

Van Bellen: “Ineens bleek dat ook het leven zelf er uit kon zien als een film van Fellini. Dat theatrale en overdrevene sprak me aan. Midden jaren tachtig stapte ik over op seventies-mode, geïnspireerd door de popgroepen Mud en Slade, droeg ik strakke nylon coltruien in paars of knalgeel, met schouderlang, naar binnen geföhnd haar. Ik scharrelde alles bij elkaar op het Waterlooplein. Maar sinds ik de laatste jaren als dj werk heb ik meer geld te besteden. Nu koop ik kleren van Gucci en Dries van Noten: stijlvolle herenkleding in felle kleuren, die mooi gemaakt is.”

Volgens Van Bellen, die voornamelijk platen draait op house-party's, is zijn gesoigneerde uiterlijk voor veel mensen provocerend. “Als ik met een stropdas om sta te draaien, word ik uitgescholden voor 'bekakte lul'. Er zijn ook bezoekers die bierviltjes naar me gooien. Dan denk ik 'gooi maar, ik sta hier lekker in mijn goedgesneden pak'.”

Hij noemt het kopen van een mooi kledingstuk een van de aangenaamste bezigheden die hij kan bedenken. “Het is het spel er omheen waar ik steeds weer voor zwicht. Die onzinnigheden... Als een dame in een modewinkel begint te praten over het 'speciale Gucci-bruin' van een broek, of over de voordelen van een handige gesp aan een riem die ƒ 300,- kost, dat spreekt me aan. Dan wil ik die Gucci-riem en Gucci-broek direct meenemen.”

Ook voor André Noorda ligt de oorsprong van zijn kledingpassie in het uitgaansleven. Noorda draagt een ijsmuts, een zwarte, sluik vallende herenbroek van Gucci en een blauwe sweater met capuchon. Op de middelbare school in Brabant viel hij uit de toon. “De interesse van mijn klasgenoten ging uit naar zaden en landbouwgrond en die van mij naar de disco, muziek en de bijbehorende kleding. Iedereen liep de hele week in hetzelfde terwijl ik het leuk vond om iedere dag iets anders aan te trekken.” Noorda, party-organisator en stylist, heeft een tijd lang kleding verkocht op het Waterlooplein in Amsterdam. Hij combineert ook nu nog de dure merkkleding met onverwachte tweedehands artikelen. Dat is noodzaak, maar ook voorkeur. “Ik wil steeds iets 'nieuws' aan als ik uitga. Ik vermaak oude kleding: hier een stukje aan, daar wat af. Uiteindelijk combineer ik deze creaties met mijn topstukken van Prada, Martin Margiela of Dries van Noten. Zo creëer ik mijn eigen ideale versie van het modebeeld.”

Ook Peter Jeroense zoekt de goedkopere versie van Het Modebeeld op tweedehands markten. “Ik kan Gucci niet betalen. Dan is het een grote kick om net datzelfde silhouet terug te vinden in een pak van een paar tientjes dat je uit een hoop hebt getrokken.” Jeroense draagt in het nachtleven bij voorkeur zwarte pumps met een herenpak en niets eronder, maar is in het dagelijks leven neutraal gekleed. Volgens Jeroense kost het moeite om de met zorg gekozen outfits met gepaste allure te dragen. “Onlangs was ik in Parijs bij de presentatie van de herencollectie van Van Slobbe. Ik droeg een mooi subtiel lichtgrijs pak van Van Gils uit de jaren zeventig met daarin een coltrui in dezelfde kleur. In die situatie geldt zo'n combinatie als 'modebewust' en dat moet je dan ook uitstralen. Op een andere lokatie, in een duistere discotheek of zo, kun me er ook mee aanzien voor een dealer of een pimp.”

Een van de wonderbaarlijke aspecten van mode is dat ze er altijd weer in slaagt zich op te dringen aan het publiek. Wie enkele jaren geleden nog gruwde van flares (soulpijpen) of plateauzolen, zal ze waarschijnlijk inmiddels, nu ze zich een plaats in het modebeeld hebben verworven, toch waarderen. Peter Jeroense denkt zelfs niet meer in termen van 'mooi' of 'lelijk', hij zegt: “Als het mode is, is het goed. Ik moet wel aan bepaalde kleren wennen, omdat ik mezelf er niet in kan voorstellen. Dan doe ik er bewust mijn best voor om daar naar toe te groeien.” Jeroense wijst op een advertentie van de nieuwe asymmetrische onderhemdjes van Calvin Klein. “Kijk, zo'n hemd met maar één bandje over je schouder, daar zie ik me voorlopig niet in lopen. Maar asymmetrie is in deze tijd heel belangrijk in het modebeeld, dus ik verheug me op het moment dat ik wel zo ver ben.”