Minister moet over dienstauto belasting betalen

DEN HAAG, 6 FEBR. Ministers en staatssecretarissen moeten, net als andere burgers, inkomstenbelasting betalen over de cataloguswaarde van hun dienstauto. Ze kunnen dat voorkomen als zij met een kilometer-administratie aantonen dat zij minder dan duizend kilometer per jaar rijden voor privé-doeleinden.

Dat volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad. De vrijstelling die bewindslieden voor hun dienstauto's genoten, krachtens een brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 december 1990, staat op gespannen voet met de Wet op de inkomstenbelasting, zo oordeelde de Hoge Raad gisteren.

Volgens het arrest is de dienstauto gewoon een auto van de zaak. Mensen die een auto van de zaak hebben moeten 20 procent van de cataloguswaarde bij hun belastbaar inkomen optellen, degenen die meer dan dertig kilometer van hun werkplek wonen 24 procent.

De staatssecretaris van Financiën rechtvaardigde de vrijstelling voor leden van het kabinet in 1990 met een verwijzing naar de vereiste bereikbaarheid en veiligheid van de bewindspersonen, die de dienstauto ook in de vrije uren onmisbaar zou maken. De Hoge Raad maakt hier korte metten mee. Privé-gebruik is privé-gebruik, ook al komt er een ministeriële dienstauto aan te pas.

De zaak was aanhangig gemaakt door een burger met een auto van de zaak die dat niet had gemeld bij de belastingaangifte. Om te ontsnappen aan een navordering met boete deed hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel met verwijzing naar de vrijstelling voor bewindslieden.