Lesrobot

EEN KIND MOET leren, daaraan twijfelt niemand. En ook wat een kind moet leren is wel ongeveer duidelijk: rekenen, taal èn enige kennis van natuur, samenleving en wereld. Lange tijd werd de invulling van deze eisen hoofdzakelijk overgelaten aan de onderwijzers. De praktijk werd bepaald door de persoonlijke inzichten van de onderwijsgevenden, sterk beïnvloed door hun eigen opleiding, de onderwijszuil, de boekjes van de uitgevers en - in mindere mate - door wettelijke richtlijnen.

Wie in een dergelijk web van diversiteit en tradities gedetailleerde voorschriften gaat opleggen, krijgt snel ruzie. Groot is daarom de hoon die de regering en haar adviseurs ten deel is gevallen toen zij onlangs de nieuwe kerndoelen voor het basisonderwijs bekendmaakten. De spot is alleszins begrijpelijk. Het bureaucratische jargon van de 92 kerndoelen op 32 gebieden (van 'historisch besef' tot 'domein vormgeven') staat in schril contrast met de menselijke, al te menselijke werkelijkheid van de basisschooljeugd en haar onderwijzers.

Op zichzelf beschouwd is het streven naar duidelijk omschreven doelstellingen van het onderwijs sympathiek en verstandig. “Leerlingen op de basisschool leren van alles wat, maar niets goed”, oordeelde onlangs in deze krant P. van Dam, hoofd Basis- en Speciaal Onderwijs van het CITO. In een samenleving waar het leven steeds minder door traditie wordt bepaald, is het onvermijdelijk dat centrale eisen aan de inhoud van het onderwijs worden gesteld. Kinderen mogen niet onvoldoende toegerust aan hun middelbare-schooltijd beginnen. Ook veel critici beamen deze noodzaak tot centrale eisen. Het probleem is dat het nobele streven naar duidelijke doelstellingen gemakkelijk verzandt in pietluttigheden en verdwaasde systeembouw. Want wie in detail wil definiëren wat kinderen moeten weten, komt allicht van het een op het ander. In plaats van met heldere uitgangspunten voor de inhoud van het onderwijs worden de scholen opgezadeld met een optelsom van verlangens, waarin àlles belangrijk is. Zoveel aandacht is nu gegeven aan volledigheid, dat bruikbare voorschriften op het gebied van taal, geschiedenis en aardrijkskunde in feite ontbreken. Vaagheid is troef.

DIT PERFECTIONISME is fout, of nu de scholen de doelstellingen proberen te volbrengen of de onderwijzers hun klappers met kerndoelen achteloos in de onderste la van een ongebruikt bureau leggen. In dat laatste geval is de hele operatie vanzelfsprekend zinloos, en dan zal de komende tijd iedere andere poging om de inhoud van het basisonderwijs nader te formuleren in een kwaad daglicht komen te staan. Zo'n scenario van selectieve burgerlijke ongehoorzaamheid is in het onderwijs overigens de normale gang van zaken en het zal hoogstwaarschijnlijk ook deze nieuwe kerndoelen treffen. Maar die 'gewone' gang van zaken, waardoor er weinig verandert, maar vaak ook het goede behouden blijft, mag niet doen vergeten dat wanneer de tienduizenden onderwijzers in Nederland de detaillistische kerndoelen wél zouden uitvoeren, het onderwijs op de lange termijn veel verder van huis zou kunnen raken.

Want in het onderwijs gebeurt veel meer dan in rapporten en regeltjes is te vangen. De persoonlijkheid van de onderwijzer - hoe eigenwijs, eenzijdig, irritant en koppig hij ook mag zijn - is een essentieel ingrediënt van het onderwijs. Menselijke omgang, bevlogenheid, morele voorbeelden, nieuwsgierigheid, emotionaliteit: kinderen hebben het allemaal nodig.

DE DROOM VAN beleidsmakers om ook déze doelstellingen in fraaie definities vast te leggen, zodat in de toekomst de scholen er via ingenieuze verslaglegging en controle op kunnen worden 'afgerekend', is begrijpelijk - want oppervlakkig beschouwd in het belang van het kind. Maar het gevaar van robotisering van het onderwijs is groter. Als al het goede dat een werknemer moet doen, wordt gecontroleerd en vastgelegd in definities en regels, wordt hem het menselijke initiatief ontnomen. En het belangrijkste voorbeeld dat onderwijzers aan kinderen moeten geven is juist mèns te zijn: intellectueel, sociaal en emotioneel. Het is daarom te hopen dat de regering op haar schreden terugkeert, en zich beperkt tot een paar bondige voorschriften op het gebied van rekenen, taal en maatschappijkennis. En die mogen dan best gedetailleerd zijn, zodat ondubbelzinnige toetsen mogelijk zijn. Zoals de minister van Onderwijs zich overigens ook had voorgenomen toen drie jaar geleden de vorige versie van de kerndoelen precies dezelfde kritiek kreeg te verduren als de nieuwe nu. De droom van complete voorschriften voor leven en werk is kennelijk moeilijk uit te roeien.