Italië is nog niet klaar voor de Economische en Monetaire Unie

De Italiaanse regering wil het land vanaf het begin laten meedoen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU). Marc Leijendekker acht dit niet alleen onhaalbaar, maar ook onwenselijk. Italië heeft meer tijd nodig om intern orde op zaken te stellen.

Het zou zowel voor Europa als voor Italië zelf beter zijn als het land niet vanaf het begin deelneemt aan de Economische en Monetaire Unie.

Italië hoort onlosmakelijk bij Europa, cultureel, economisch en politiek. De landen in een harde kern van de EMU moeten dat onderstrepen door Rome een begaanbaar en veilig pad aan te bieden naar een tweede ronde. Maar Europa en Italië hebben beide alleen maar te winnen bij toetreding een paar jaar later. De voordelen hiervan voor Noord-Europa zijn voldoende onderstreept, onder anderen door Zalm en Duisenberg: geen zwakkere broeder erbij die de kracht wegzuigt uit de euro en daarmee de geloofwaardigheid van de EMU ondermijnt. Overigens is dit uiteindelijk ook een voordeel voor Italië.

Uitstel is voor Italië niet zonder gevaar. Wat dreigt is een alarmerende spiraal van verzwakking van de munt, hogere rente, stijgend begrotingstekort wegens de hogere rentebetalingen. Een stabiliteitspact kan daar enige bescherming tegen bieden. Rome zal de race naar Brussel, waaraan het verlaat is begonnen, nog wat langer vol moeten houden - iets wat premier Prodi, die zichzelf heeft omschreven als een politieke marathonloper, goed moet liggen. Maar het risico van uitstel is kleiner dan het risico van een stap waarvoor het land eigenlijk nog niet rijp is.

Veel Italianen realiseren zich ook wel dat hun land nog niet zover is, maar door onhandig opereren van premier Romano Prodi is toetreding tot de EMU een prestigeslag geworden. Eerst deed hij wat zoveel voorgangers hebben gedaan, suggereren dat het zo'n vaart niet zou lopen en dat er altijd iets geregeld kon worden. In september is hij omgegaan. Prodi verdubbelde zijn geplande bezuinigingen. Italië zou Europa wel eens laten zien waartoe het in staat is. In een vlaag van enthousiasme verbond Prodi zelfs het voortbestaan van zijn kabinet aan onmiddellijke toetreding, iets wat hij verstandig genoeg later niet heeft herhaald.

Het debat over Europa heeft de emotionele ondertoon gekregen van een liefdesverklaring die niet mag worden afgewezen, van een finale die niet mag worden verloren. Een enkeling roept dat Italië achter een nieuw IJzeren Gordijn in Europa terecht dreigt te komen. Minister van Schatkist Carlo Azeglio Ciampi zegt dat dit jaar een bokswedstrijd is geworden die twaalf maanden duurt, en dat Italië de eerste ronde al heeft gewonnen omdat de overheid in januari iets meer binnenkreeg dan ze uitgaf. Die opgejaagde emoties verhinderen een nuchtere analyse.

Italië is om twee redenen nog niet rijp voor Europa. De eerste is financieel-monetair. De cijfers op zichzelf lijken redelijk. Het tekort moet dit jaar in de buurt van de drieprocentsnorm komen of die drempel bereiken. De inflatie en de rente zijn de afgelopen maanden scherp gedaald. Het vertrouwen in Italië is gegroeid, vooral door het optreden van minister Ciampi, die in feite een soort schaduwpremier is geworden die het financiële, economische en monetaire beleid bepaalt.

Maar achter die cijfers schuilen problemen. Ook Italië heeft een begrotingstruc uitgehaald, al is die van heel andere aard dan het Franse gegoochel. Om het begrotingstekort in een jaar tijd te laten dalen van 6,8 naar drie procent, is onder andere een speciale belasting ingevoerd. Het kabinet heeft beloofd dat die eenmalig zal zijn en zelfs gedeeltelijk zal worden terugbetaald. Italië leent dus geld om binnen te komen en ziet daarna wel verder.

Eenmaal binnen zal Italië blijven worstelen met de structurele problemen binnen het sociale stelsel, die steeds vooruit zijn geschoven. Ook door Prodi, die de communisten niet boos wil maken omdat hij hun externe steun nodig heeft. De Duitsers moeten hun kuuroorden opgeven, maar de Italianen kunnen nog steeds ruim voor hun 65ste met pensioen. Binnen de overheid genieten mensen een reeks privileges (met als meest schrijnende het vrijwel ontbreken van produktiviteitscontrole) die elders in Europa zijn afgeschaft of nooit hebben bestaan.

De economische erfenis die het land meesleept, is vol gevaren. De staatsholding IRI zit diep in de schulden. Veel staatsbanken draaien bijzonder slecht. De Banco di Napoli is met een forse bijdrage uit de schatkist voor een faillissement behoed. De Banco di Sicilia wankelt. De sanering in de publieke sector van de economie is steeds weer vooruitgeschoven. Daar zit een aantal zorgenkinderen dat vrijwel zeker een injectie uit de schatkist nodig zal hebben. Die ziekenboeg moet eerst een stuk leger zijn.

Maar niet alleen financieel-monetair, ook in de organisatie van zijn economische bestel is Italië niet rijp voor toetreding. Zowel in de publieke sector als in een groot deel van de particuliere sector bestaan monopolies. Een echte markt met open concurrentie bestaat op veel terreinen niet. De prijzen zijn te hoog, de produktiviteit en de flexibiliteit te laag.

Hier wreekt zich het feit dat velen zich blindstaren op de cijfers voor Maastricht, al dan niet bekeken door een politieke bril. Die cijfers zeggen niet alles. Zelfs met een tekort van 2,8 procent blijft Italië een land waar de overheidssector in de economie te groot is, waar de privatisering van staatsbedrijven uiterst moeizaam verloopt, waar door de vele grote en kleine monopolies geen echte markt bestaat. Het is in het eigen belang van Italië om zich te concentreren op de oplossing van die problemen, om daarna de stap naar de EMU te zetten. Dan lopen veel bedrijven niet het gevaar te worden weggedrukt door efficiëntere, flexibelere, produktievere Europese concurrenten.

Hoe groot de kloof is die Italië in dit opzicht van Europa scheidt, mag blijken uit de vraag die een buitenlandse ondernemer in Milaan, het zakelijke hart van het land, dinsdag de bezoekende verslaggever uit Rome stelde: “Geloven de politici nu echt dat Italië van begin af aan kan meedoen?”

Prominente ondernemers met gevoelige internationale voelhorens als Carlo De Benedetti (Olivetti) en Cesare Romiti (Fiat) zeggen dat Prodi er geen nationaal drama van moet maken. Beter nu eieren voor je geld kiezen dan op het laatste moment de deur tegen je neus krijgen. Prodi durft die stap nog niet te zetten. Hij heeft de EMU-criteria nodig als argument om te voorkomen dat de begrotingsdiscipline verslapt. Op dezelfde manier is de afgelopen jaren een deel van de Italiaanse regelgeving gemoderniseerd: omdat het moest van Brussel zijn interne patstellingen en inertie doorbroken. In dat opzicht kan Italië niet zonder de Europese Unie.

Maar het is voor het land beter niet als een zwakkere broeder in de EMU te komen, als een kwakkelend land dat niet serieus wordt genomen. Prodi heeft eerder gezegd dat hij wil laten zien wat een potentie Italië heeft als het beter is georganiseerd. Als Italië nog even wacht met toetreding en die tijd benut voor verdere interne sanering, heeft het meer kans om een hoofdrolspeler te worden in Europa.