In Liefde Bloeyende

Adriaen Hoffer (1589-1644)

SOLUS VULT SCIRE VIDERI

Hy is het haanken van de baan

Is 't niet in daad, soo is 't in waan.

Ick weet niet wat het is met onse Nederlanders

Want nevens hare taal soo spreken sy noch anders

Het is haar niet genoegh te spreken hare taal

Sy spreken Frans, end' Schots, Latijn, end' als de Waal.

Sy weten 't als een kock te menghen, end te scherven

Om soo quansuys wat eers by and're te verwerven

De eene seyd, bon jour, mijn Heer, de and're weêr

Seyd bona dies, Heer, end' swets soo even seer.

De grace, neen Monsieur, excuse moy sy spreken

End doen niet anders als wat Frans den hals te breken

Dan koomter oock Señor, end' maackt den Spaanschen geck

In plaatse van voornoemd, is ditto nu den treck.

Van waar koomt ons dit toe te menghen soo de talen

End' dan van dees' een woord, end' dan van die te halen

Is 't schaarsheyd in de taal? verwert ons die de spraack?

Neen, d'hooghmoed die ons quelt is oorsaack van de saack.

Dit moet een geruststellend gedicht zijn voor elke lezer die zich wel eens heeft opgewonden over de minachting die veel Nederlanders aan de dag leggen voor hun eigen taal. 't Blijkt immers een minachting die al bestond toen de taal zelf nog een borelingske was. De pedante lieden die, bij voorbeeld aan de hedendaagse universiteiten, hun voorkeur voor het Engels verdedigen door te wijzen op het wereldwijde dorp dat we met z'n allen zijn geworden hebben ongelijk: dat ze Engels snateren is niet het gevolg van hun kosmopolitisme, maar van hun pedanterie. Ze hadden in de zeventiende eeuw geen vliegtuigen en ze hadden in de zeventiende eeuw geen internationale congressen, en toch had je het soort mensen al dat vond dat het Nederlands niet goed genoeg voor ze was en dat ze met een andere taal beter uit de voeten konden. Dit gedicht van Adrianus Hofferus uit zijn Nederduytsche Poëmata (1635) is een feest van herkenning. Het was er toen al, en het was er toen net zo.

De dichter, burgemeester te Zierikzee, wordt in bijna geen literatuurgeschiedenis één regel waardig gekeurd, en toch, ziehier: zestien regels die vandaag nog even fris zijn. Meteen de eerste regel al bezit een hoog citeer- en mijmergehalte - “Ick weet niet wat het is met onse Nederlanders” - een regel die ik bij het lezen van de krant of het kijken naar een praatprogramma graag hoofdschuddend voor me uit mag fluisteren. Door deze ene regel komt de Zeeuwse nachtegaal de literaire onsterfelijkheid toe. Pas in de tweede regel preciseert Hofferus zijn onderwerp nader, alsof hij zijn deelverbazing eerst wilde inbedden in een algehele verbazing over wat het betekent om Nederlander te zijn -

Ick weet niet wat het is met onse Nederlanders

Want nevens hare taal soo spreken sy noch anders

jawel, ditmaal een distichon dat in een gouden lijst verdient te worden opgehangen in alle zalen en kamers, in alle ruimten en auditoria waar de Nederlander zwatelt, zwetst, ouwehoert en boodschappen verkondigt. In masseertaal, in luchtbeltaal, in wartaal, in slaaptablettaal. In de taal waarmee hij om de hete brij draait, de taal waarmee hij geld uit zakken klopt.

Nóg een regel verder en we zijn waar Hofferus ons wil hebben: bij de manie van de Nederlander om zijn taal te verloochenen. En bij de pedanterie die dit verschijnsel aankleeft. Het haanken uit het motto staat model voor de ijdele pronker. De haan is het ook het beest dat driemaal kraaide. Dikdoenerij en verraad, daar is de verhouding tussen de Nederlander en zijn taal mee getekend.

Solus vult scire videri is een geruststellend, maar daarom niet minder verrassend gedicht. Verrassend door de actualiteit en door de juistheid van de conclusies die Hofferus trekt. We herkennen zijn Nederlander onmiddellijk. 't Is een persoon die om indruk te maken (“om kwansuis wat eer bij anderen te verwerven”) niet weet hoe snel hij zijn eigen taal moet inruilen voor wat hij als een imposant vertoon van talenkennis aanziet. Enkel om te laten zien dat hij niet van de straat is - zoals je de titel van het gedicht vrij zou kunnen vertalen. In werkelijkheid maken de Nederlanders er een ratjetoe en een koeterwaals van (“zij weten 't als een kok te mengen en fijn te hakken”). Ze menen deftig te zijn en polyglotte toeren uit te halen, maar “doen niet anders als wat Frans den hals te breken” - het halsbreukfrans als voorloper van het steenkolenengels. Terloops neemt Hofferus de hebbelijkheid van 'onze Nederlanders' op de hak om geleerde woorden te gebruiken, ook als er een gelijkwaardige uitdrukking in het Nederlands bestaat: “In plaats van 'voornoemd' is 'dito' nu in trek”.

De conclusies van de dichter zouden die van een modern taalcriticus kunnen zijn. Ten eerste. Nederlanders die denken het spreken van vreemde talen o zo goed te doen slaan bij de buitenlander vaak een modderfiguur. Ten tweede. Er zit een modieus kantje aan. “Dan hoor je ineens señor, en gaat meneer zich als een Spanjaard aanstellen”. En vooral ten derde. Het taalgedrag van de Nederlander berust niet op een minderwaardigheidscomplex, maar juist op een meerderwaardigheidscomplex. “De hoogmoed die ons teistert is oorzaak van de zaak”. Dat heeft een Zeeuwse dichter al in de zeventiende eeuw verdomd goed gezien.