Glass-Stegall Act

De koersval op Wall Street van 1929 en de daaropvolgende economische crisis kostte niet alleen Amerikaansen banken en grote beleggers fortuinen. Ook miljoenen kleine beleggers werden de dupe. Veel kleine banken gingen bovendien failliet, zonder dat Amerikaanse spaarders iets van hun geld terugzagen. De roep om ingrijpen leidde tot het aannemen van een uitgebreid pakket bankwetten die het wantrouwen tegen banken moesten wegnemen.

Tegoeden bij banken waren voortaan verzekerd, een grote vooruitgang. Daarnaast bracht het Congres in de Glass-Steagall Act van 1933 een strikte scheiding aan tussen zakenbanken en effectenfirma's enerzijds en algemene banken anderzijds. Banken die leningen aan bedrijven gaven moesten niet ook de mogelijkheid hebben om effecten aan particulieren te verkopen. Het idee daarachter was de vrees dat de combinatie alleen maar tot bedrog van goedgelovige klanten leidde. Omgekeerd mochten banken die emissies verzorgden en in effecten handelden geen spaartegoeden aannemen. Banken mochten ook geen verzekeringen verkopen.

Al meer dan vijftien jaar proberen Amerikaanse banken de Glass-Steagall Wet ongedaan te maken. Praktisch iedereen is het er over eens dat de tijd daarvoor rijp is. Veel regels uit Glass-Steagall zijn inmiddels al versoepeld. Alleen de verzekeraars proberen nog steeds Glass-Steagall in stand te houden. Als straks de hele wet ongedaan wordt gemaakt, zullen de commerciële banken zich onmiddellijk opwerpen als verzekeringsagenten en effectenhandelaars. Daarop lopen effectenfirma's en zakenbanken al vooruit door hun positie te versterken.

De onderzoekers van Censydiam maken tweemaal een tweedeling bij het analyseren van autokeuzes die consumenten maken. In psychologische zin luidt de tweedeling: of men kiest ervoor “de kracht te tonen die een auto intrinsiek bezit”, of men is “zelf overtuigd van die kracht zonder die te willen tonen”. In het eerste geval laat de bezitter zijn emoties de vrije loop, in het tweede geval worden die emoties onder controle gehouden. In sociologische zin beweegt de autokeuze zich tussen twee andere polen: het etaleren van maatschappelijk succes, tegenover het tonen van de maatschappelijke groep waartoe men wil behoren. Het eerste beeld wil onmiddellijk een verband leggen met de persoon ('kijk mij es'), het tweede met de groep ('kijk, ik hoor erbij'). Het eerste zou 'mannelijk' zijn en gaat om de sociale bevestiging, het tweede wordt bestempeld als 'vrouwelijk' en gaat om sociale integratie.