Botsvoorstel wekt woede en tevredenheid

Het kabinet wil dat bij een botsing tussen motorrijtuig en fiets of voetganger de aansprakelijkheid altijd bij de bestuurder van het motorrijtuig wordt gelegd. Het voorstel roept zeer verdeelde reacties op.

ROTTERDAM, 6 FEBR. Vanaf de eerste dag kolkte het. Toen het ministerie van Justitie op 10 januari bekendmaakte de aansprakelijkheid bij botsingen voortaan automatisch bij de automobilist te leggen (of bij de motorrijder of bromfietser: motoren, maar ook brommers zijn volgens de Wegenverkeerswet 1994 motorrijtuigen) liepen de brievenrubrieken van kranten meteen vol. Ook de belangenorganisaties van allerlei categorieën weggebruikers reageerden onmiddellijk - en heftig.

In de brievenrubrieken zijn twee kampen te onderscheiden: jubelende voetgangers en fietsfanaten die na een eeuw verdrukking eindelijk gerechtigheid zien; en autorijders die al stikken van woede bij het vooruitzicht aansprakelijk gesteld te worden voor een aanrijding met een onverlicht overstekende fietser die zijn hand niet eens uitstak.

J.T. Grashoff, voorzitter van de stichting Pro Auto, hoont het achterliggende idee dat het nu eenmaal gemakkelijker is om de schade op de automobilist te verhalen omdat deze nu eenmaal altijd verzekerd is: “Dit is typisch een staaltje van ambtelijke legalisering van onrecht uit gemakzucht.” Als er dan zonodig iets gedaan moet worden aan de letselschade van voetgangers en fietsers, vindt Grashoff, richt dan een rijksfonds op uit de belastingen: “Dan betaalt iedereen eraan en niet alleen de automobilist.”

Volgens minister Sorgdrager (Justitie) zou het wetsvoorstel de jaarpremie voor een autoverzekering met ongeveer dertig gulden verhogen. De verzekeraars schatten dat het eerder vijftig tot honderd gulden hoger wordt. Er valt echter nog niet veel van te zeggen: veel zal afhangen van de hoogte van de schadetoewijzingen onder een nieuwe wet.

Principieel anders denkt voormalig Kamerlid Piet de Visser (voor de PvdA, thans is hij lid van GroenLinks) over bestuurders van auto's: “Wie dat soort helse machines in het verkeer brengt is altijd aansprakelijk, ook voor ongelukken die veroorzaakt worden door het feit dat Onze Lieve Heer rare, onverantwoordelijke en gebrekkige kostgangers in ons verkeer heeft rondlopen.”

Volgens de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) hebben jaarlijks zo'n drieduizend aanrijdingen tussen motorvoertuigen en fietsers of voetgangers plaats waarbij ziekenhuisopname nodig is. P. Noordzij van de SWOV: “En dan zijn er gelijk hoge kosten aan verbonden die ver uitgaan boven de eventuele blikschade.” Noordzij kan zich vinden in het wetsvoorstel, al heeft hij wel kritiek op de rauwe manier waarop minister Sorgdrager en het kabinet de inhoud naar buiten hebben gebracht: “Er had veel meer voorlichting bij gemoeten. Bijna niemand begrijpt het verschil tussen schuld en aansprakelijkheid.”

Voorlichter W. Korman van Justitie wijst deze aantijging van de hand: “Het is veel te vroeg voor publieksvoorlichting. Dit voorstel kan nog gewijzigd worden door de Raad van State en door de Tweede Kamer. Er is nogal wat verdeeldheid, ook tussen politieke partijen.” Noordzij: “Dat weet ik ook wel, maar het onbegrip is intussen gewekt, de verdeeldheid is gezaaid. En dat terwijl het een verstandig voorstel is.”

In de memorie van toelichting verwoordt de minister min of meer het standpunt van Piet de Visser met zijn rare kostgangers. Door het gebruik van een zwaar, hard, rollend voorwerp in de openbare ruimte laadt de autobestuurder een zware verantwoordelijkheid op zich. Weliswaar bestaan er verkeersregels, maar die dienen primair om het verkeer in goede banen te leiden.

In de beginperiode van het autoverkeer werd via artikel 31 van de Wegenverkeerswet, een kapstokartikel, de aansprakelijkheid vooral bij de automobilist gelegd. Dit raakte gaandeweg in onbruik: overtreders van de regels droegen de schuld en dus de aansprakelijkheid. Totdat in 1992 de Hoge Raad in een uitspraak deze tendens weer keerde: sterke verkeersdeelnemers betalen altijd de helft van de letselschade, ongeacht de schuld.

Het nieuwe wetsvoorstel maakt daar honderd procent van, met één uitzondering: de automobilist is niet aansprakelijk als er bij de voetganger of fietser sprake is van 'aan opzet grenzende roekeloosheid'. In Frankrijk is een dergelijke wet al tien jaar van kracht. Het grote voordeel van een wet boven een uitspraak van de Hoge Raad is bovendien dat het slachtoffer geen moeizame juridische procedures hoeft te voeren: wet is wet, voor verzekeraars is daar geen speld tussen te krijgen, uitstel van betaling is niet mogelijk.

B. Woudenberg, woordvoerder van Veilig Verkeer Nederland, vindt de intentie van het voorstel wel goed, maar betreurt het dat er geen opvoedende werking van uitgaat: “Ik zou liever hebben dat ook voetgangers en fietsers verplicht verzekerd zijn. Maar ik zie wel in dat dat moeilijk te controleren valt. Verder lijkt mij de formulering 'aan opzet grenzende roekeloosheid' voor verschillende uitleg vatbaar. En tenslotte zie ik nog een probleem met het doorrijden na een aanrijding. Het aantal doorrijders stijgt explosief en dit aantal zal met dit voorstel alleen maar toenemen.”

De huidige autoverzekeringen kennen meestal een bonus-malus regeling: de klant krijgt een no-claimkorting als hij enige tijd schadevrij rijdt. Het is dan voor de verzekerde hoogst onaangenaam om de no-claimkorting te zien verdwijnen door een aanrijding buiten zijn schuld.

De ANWB pleit daarom al enige tijd voor een ander type verzekering waarbij de no-claimkorting alleen wordt ingetrokken als er sprake is van schuld. In de verzekeringswereld wordt dit overwogen.