Taalrespect

Al weken lang ben ik bezig om mijn dochtertje van drie af te leren om 'hij heb' te zeggen. Elke keer verbeter ik haar en zegt ze me braaf na: 'hij heeft', maar vijf minuten later is het weer raak met 'hij heb' of 'zij heb'. Nooit hoor ik haar 'hij loop' of 'zij kom' zeggen, maar wel weer (heel incidenteel) 'ik gaat' of zelfs 'ik heeft'. Het zijn niet zomaar willekeurige fouten, wil ik maar zeggen, er zit een systeem achter.

Het is niet moeilijk te raden wat voor systeem dat is. We hebben hier te maken met de invloed van het Amsterdams. Bij haar broertje manifesteert die invloed zich anders: zijn tot voor kort enkele klinkers worden dubbel, de o is au geworden, de a een ao en de ij spreekt hij uit als ai.

Deze verschijnselen brachten mij weer eens aan het nadenken over het wezen van het dialect. Vanwaar mijn ambivalentie, terwijl taalkundigen allang opgehouden zijn met waardeoordelen uitspreken? A. de Swaan haalde onlangs nog in zijn stukje over talen en taaltjes in het Zaterdags Bijvoegsel de taalkundige William Labov aan, die onweerlegbaar had aangetoond dat er geen verschil in complexiteit bestaat tussen grammaticale structuur van het standaard-Amerikaans en het zwart-Amerikaans. Iedereen is in zijn eigen taal/dialect een competente taalgebruiker.

Wie dit uitgangspunt onderschrijft (en je moet wel, want het is een wetenschappelijk feit) kan niet anders dan de aanbeveling van De Swaan overnemen om de standaardtaal op school niet te presenteren als een vervanging van, maar als een aanvulling op het eigen sociolect. Dit is het punt van de ebonics discussie in Amerika: vanzelfsprekend is het nodig dat kinderen de standaardtaal leren (want kansen op de arbeidsmarkt), maar met behoud van loyaliteit aan hun eigen taal. Er is geen sprake van een takkie-takkie taaltje en een correcte taal, maar van twee volwaardige talen die naast elkaar bloeien.

Dit lijkt me een voorbeeld van oplossing van het probleem door middel van herdefiniëring van de premissen. Je noemt een sociolect een taal, en klaar ben je. Op wetenschappelijk niveau is dat ongetwijfeld waar, maar in de praktijk zijn taal en dialect onontwarbaar met elkaar verknoopt. Om te beginnen lijken ze erg op elkaar. Dialectsprekers en standaardtaalsprekers begrijpen elkaar uitstekend, mits iedereen langzaam en duidelijk spreekt. Uitspraak en tongval zijn niet zo belangrijk. De 'raude kaul' van mijn zoontje vind ik niet fraai, maar het stoort me minder dan het 'hij heb' van mijn dochtertje. Kenmerkend voor een sociolect zijn de omdraaiingen. De vierde naamval wordt vaak tot eerste gebombardeerd (hun hebben). In het zwart-Amerikaans is die neiging nog sterker (them in plaats van they, us voor we). Er worden werkwoordsvormen omgedraaid evenals enkel- en meervouden (you is, I does, he go, we lives). Sterke werkwoorden worden soms zwak vervoegd (he knowed) en het barst van de dubbele ontkenningen (I didn't see nobody).

In Amerika hadden wij een oppas (geen spreekster van het zwart-Amerikaans) die er een particuliere sociolectische omdraaiing op nahield: zij verwisselde mannelijk en vrouwelijk door consequent 'he' te zeggen als ze 'she' bedoelde en iets minder consequent 'she', wanneer ze 'he' bedoelde. Behoorlijk verwarrend, maar na verloop van tijd raakte ik eraan gewend.

Verwisseling van werkwoordsuitgangen en naamvallen zegt niets ten nadele van de grammaticale complexiteit of syntactische structuur van een taal. In die zin zijn de regels werkelijk arbitrair. Ook met de dubbele ontkenning is niet uit de aard der zaak iets mis, getuige het Frans, waar de combinatie 'ne....pas' het tot voorschrift heeft gebracht. Voor een Chinees is het om het even of hij Nederlands leert of Limburgs.

Het probleem ligt bij de binnenstaanders, degenen die globaal dezelfde taal spreken, maar met verwisseling van regels. Hoe hiermee om te gaan met behoud van respect voor het andere? Dit is bijna onmogelijk. Niet alleen omdat de standaardtaalsprekers zich hautain op de borst kloppen en beweren dat zij het grammaticale gelijk aan hun zijde hebben - en zo niet, dan hebben ze nog altijd de macht van de onderdrukkende meerderheid. Maar ook omdat van elk sociolect iets subversiefs uitgaat. Dat heeft te maken met die omdraaiingen en verwisselingen van regels. Een sociolect is niet zomaar een andere taal, zoals Russisch anders is dan Engels, maar een andere taal met een bedoeling, namelijk distinctiedrift.

De omkering en de verwisseling zijn beproefde recepten in humor en satire. Je kunt er dingen mee bespottelijk maken. Waarom ontstaan er überhaupt sociolecten? Omdat het voor bepaalde groepen prettig en identiteitsbepalend is om de taal anders te spreken dan 'hullie daaro'. Als je een draai geeft aan sommige regels (niet aan allemaal), dan heeft dat een satirisch effect en in ieder geval ook iets balorigs, iets uitdagends. Een jongere die het over 'wreed' heeft, terwijl hij 'geweldig' bedoelt, zet voor de niet-sociolectspreker de wereld even op z'n kop.

In deze configuratie van zetten en tegenzetten is het niet relevant wat er eerder was ('zij hebben' of 'hun hebben'), omdat daaraan toch geen rechten ontleend kunnen worden. Vroeger was 'groter als' goed, nu is het fout, over vijftig jaar is het misschien weer goed. Wie weet, promoveert 'wreed' in de betekenis van 'fantastisch' tot ABN.

De standaardtaalspreker gebruikt zijn taal om zich te profileren ten opzichte van de lagere klassen, degenen die niet de macht hebben. De sociolectspreker doet dit ook. Ook al is het geen bewuste keuze - een kind leert tenslotte de taal die hem voor de oren komt en gebruikt die zonder profileringsintenties - dan nog blijft het effect van zich onderscheiden bestaan.

Het sociolect reageert op de standaardtaal en vice versa. Neemt de een van de ander iets over, dan ontstaat in de ander weer iets nieuws. Aan de wortel van de strijd ligt het verschijnsel dat fouten in het ene taalsysteem regels in het andere zijn. Dat maakt het zo moeilijk om ze allebei met hetzelfde respect te omarmen. Is loyaliteit mogelijk aan twee systemen die met elkaar in strijd zijn?

Alleen niet-Nederlandssprekenden staan onbevangen tegenover het 'hij heb' van mijn dochter.