Pizzadeeg gekneed als vrouwenborst

Nénette et Boni. Regie: Claire Denis. Met Grégoire Colin, Alice Houri, Valéria Bruni-Tédeschi, Vincent Gallo, Jacques Nolot. In: Amsterdam, Desmet; Eindhoven, Plaza Futura; Nijmegen, Cinemariënburg; Utrecht, 't Hoogt.

Een van de vele aardige films die in het hoofdprogramma van Rotterdam '97 de wedergeboorte van de francofone cinema illustreren, is Nénette et Boni, de vierde speelfilm van Claire Denis (1948). Het dromerige verhaaltje van een broer en een zuster in groezelig Marseille is niet alleen ver verwijderd van het archetypische Franse relatiedrama, maar ook van de grimmige cinéma banlieue van regisseurs als Mathieu Kassovitz. Denis heeft een herkenbare eigen stijl, die hoogstens af en toe doet denken aan de semi-documentaire lichtheid van Cédric Klapisch' filmhuissucces Chacun cherche son chat.

Nénette et Boni begint met aan elkaar geschakelde scènes uit het grotestadsleven: een man smeert immigranten goedkope telefoonkaarten aan, een groepje apaches smokkelt vuurwerk, een skinhead rommelt wat op zijn kamer, een meisje ontsnapt 's nachts uit een internaat. Pas na een minuut of tien kristalliseert de film zich uit en blijkt de skinhead, Boni, de voornaamste hoofdpersoon. “Het is net als wanneer je door een verrekijker kijkt”, verklaarde regisseur en scenarioschrijfster Claire Denis vorig jaar na het winnen van de Gouden Luipaard in Locarno, “je begint met even rondkijken voordat je je concentreert op datgene wat je wilt zien.”

De jonge Boni (Grégoire Colin) mag er vervaarlijk uitzien, in zijn hart is hij een onzekere, goeiige jongen. Zijn moeder is dood, met zijn criminele vader heeft hij gebroken. Hij werkt op een rijdende pizzeria en woont met een paar vrienden samen, maar is eenzaam en gefrustreerd. Op een dag staat zijn ontspoorde zusje op de stoep, zeven maanden zwanger. Hoewel Boni in eerste instantie niets van Nénette wil weten, ontfermt hij zich toch over haar en uiteindelijk - met een wel erg plotselinge tournure - zelfs over haar baby.

Het is niet het simpele verhaaltje over ontdooiende harten en hervonden familieliefde dat Nénette et Boni de moeite waard maakt. De kracht van de film ligt in het onnadrukkelijke spel van de acteurs en in het portret dat geschetst wordt van de onaangepaste Boni: hij is een stugge rouwdouw die zijn huiskonijn liefdevol de garnituur van zijn Big Mac voert; het soort jongen dat heimelijk verliefd is op de pronte buurtbakkersvrouw en zijn seksuele fantasieën noteert in een dagboek. Als Boni (dag)droomt van zijn geliefde kneden zijn handen het pizzadeeg als een vrouwenborst; zijn fanatieke gezucht en gesteun bij het vormen van de quattro stagioni roept herinneringen op aan het beroemde fake-orgasme in When Harry Met Sally. Vooral scènes als deze, zinnelijk en dicht op de huid gefotografeerd door Agnès Godard, geven je het gevoel naar iets bijzonders te kijken; ze verzoenen je zelfs met de zwakke stee van de film: het rommelige en opmerkelijk onsubtiele einde.