Jeff Bridges

In een serie profielen van gezichtsbepalende filmsterren deze week Jeff Bridges, de nonchalante blonde reus die te zien is in de op video uitgebrachte western 'Wild Bill'

In een cultuur zonder monarchie of adel vervullen filmsterren soms de rol van gekroonde hoofden en lijkt filmroem erfelijk. In het gecompliceerde netwerk van Hollywooddynastieën heeft de familie Bridges hooguit landjonkers voortgebracht, maar het is wellicht juist die nonchalante underdog-charme die voor mij van Jeff Bridges (Los Angeles, 4 december 1949) een van de sympathiekste sterren maakt. Vader Lloyd Bridges (1913) was in de jaren veertig en vijftig de viriele held van menige B-film, oudere broer Beau (1941) heeft het mede door zijn geringe lengte nooit verder gebracht dan een vaag bekend voorkomend gezicht. De enige film waarin de beide broers samen speelden, The Fabulous Baker Boys (Steve Kloves, 1989), leert ons wellicht iets over de oorsprong van Jeffs superioriteit tegen wil en dank. Hij speelt daarin een uiterst getalenteerde pianist, die met zijn veel minder begaafde oudere broer een duo vormt. Ze spelen in morsige bars, ongeïnspireerd en routineus; de film begint met het ontwaken van Jeff na een nacht vol alcohol naast een hem nog slechts vaag bekend voorkomende bedgenote. Beau verwijt Jeff dat hij zijn potentieel zo vergooit; dat de kansen keren komt vooral door het aantrekken van Michelle Pfeiffer als zangeres. Het is ook duidelijk dat met een minimale inspanning Jeff zichzelf kan revancheren. Talent maakt lui, en het laten doorschemeren van briljante eigenschappen achter een scherm van gemakzuchtige vadsigheid is het handelsmerk van Jeff Bridges.

In Star Man (1984), een van de drie films waarvoor hij een Oscarnominatie kreeg, weet Bridges letterlijk niet wat hem overkomt, als seksueel aantrekkelijke buitenaardse bezoeker. Een lome en verlopen sfeer (The Last Picture Show, 1971; Fat City, 1972) vormt het ideale decor voor Bridges' imago. Hij excelleert ook in moderne, niet-moralistische westerns en, eveneens 'jenseits Gut und Böse', in de film noir, zoals Against All Odds (1984). Een voorwaarde voor de effectiviteit van zijn rollen is de mogelijkheid van verlossing, soms zelfs in spirituele zin: in Fearless (Peter Weir, 1994) ontdekt Bridges de waarde van het leven door ternauwernood aan de dood te ontsnappen. Een slecht mens is Bridges namelijk bij uitstek niet, ondanks de aangename schijn van het tegendeel. Laat hem de rol spelen van de baarlijke duivel, zoals in de Amerikaanse remake van Spoorloos (The Vanishing, George Sluizer, 1993), en het gaat mis.

The Last American Hero (1973) was een titel die in de periode van relativering van traditioneel Amerikaans heldendom goed dekte waar Bridges voor stond: een groggy blonde reus, aangeslagen maar nog niet knock-out. Nu er weer ouderwets gekrachtpatst wordt in het Schwarzeneggertijdperk, vindt Bridges' type minder aftrek, maar wordt de tegenstelling tussen macht en onmacht in zijn personages interessanter. Hij vecht niet meer tegen de tijdgeest, maar tegen zichzelf. Films met dat soort helden halen in het huidige Hollywood zelden nog de top van de hitlijst, maar beroeren wel het hart van de liefhebbers van de existentialistische traditie, die ook deel uitmaakt van de Amerikaanse filmgeschiedenis.