Dobbelmanns faam

Ooit waren de concurrenten jaloers op de naam- en merkbekendheid van de zeepfabriek Dobbelmann. Dat was geen toeval: lang voordat het woord in zwang raakte wijdden de Dobbelmannen veel aandacht aan een goede marketing, zo blijkt uit de geschiedenis van het familiebedrijf dat meer dan honderd jaar meeging.

Een Nijmeegse Familie. Ondernemend en maatschappelijk bewogen. Vier generaties Dobbelmann. Door drs. M.J.M. Dongelmans en prof.dr. J.M.H.J. Hemels. Uitgegeven door mr. P.F.H.M. Dobbelmann. Verkrijgbaar door overmaking van ƒ 55,- op giro 1220575 t.n.v. J.M.H.J. Hemels te Malden.

Leden van de familie Dobbelmann zullen ongetwijfeld tevreden zijn dat de geschiedenis van vier generaties Dobbelmann en hun zeepbedrijf, bijna dertig jaar nadat hun zaak in andere handen overging, nu eindelijk is geboekstaafd. Prof.dr. J.M.H.J. Hemels, de Nijmeegse historicus drs. M.J.M. Dongelmans en een legertje hulpkrachten hebben er jaren werk aan gehad om alle feiten te vergaren en te rangschikken tot het gedenkwerk Een Nijmeegse familie.

Ondernemend en maatschappelijk bewogen. Vier generaties Dobbelmann. Zo op het oog hebben zij in opdracht en met financiële steun van de nazaten een prachtig gebonden werk afgeleverd, met veel mooie plaatjes en volop tekst en noten, maar wie zich over de inhoud buigt moet over het nodige doorzettingsvermogen beschikken om tot de laatste pagina door te lezen. Het verhaal dat de auteurs vertellen is helaas warrig van compositie, overcompleet aan weinig schokkende lokale kwesties en familiegebeurtenissen, en zeer onvolledig waar het de bedrijfshistorie betreft.

Voeg je alle wetenswaardigheden over de opkomst en het verval van deze Nijmeegse familie-onderneming bijeen, dan houd je slechts een krantenstuk over, wat rijkelijk weinig is als extract van een boek van ruim driehonderd bladzijden. Misschien komt dat doordat deze bedrijfsgeschiedenis zich feitelijk niet leende voor een heel boek. Hoe bekend Dobbelmann dankzij een uitgekiend reclamebeleid ook was (en nog is): het bedrijf werd meer groot in naam en faam dan als onderneming.

In mannelijke lijn konden de samenstellers van het gedenkwerk de voorouders van de Nijmeegse Dobbelmanntak achterhalen tot de tweede helft van de zestiende eeuw, tot aan Godert Dübbelmann, omstreeks 1575 geboren in het dorpje Widdigh (tussen Keulen en Bonn), van beroep wijnbouwer en vanaf 1611 wijnhandelaar in Keulen. Diens nazaten vervingen de ü in hun naam voor een o en bleven generaties actief als bierbrouwer, totdat onder hen ook kooplui opstonden. Als stamvader van de Nijmeegse tak staat te boek Johann Peter Dobbelmann (1799-1880), in 1827 naar de Nederlandse Waalstad verhuisd om zich daar als handelaar in koloniale waren te vestigen. “Waarom Johann Peter uitgerekend Nijmegen als woonplaats uitkoos, zal altijd wel een raadsel blijven”, aldus de auteurs. In ieder geval kwam hij niet tot zijn keuze door de welstand ter plaatse, want in die dagen was Nijmegen een verpauperd stadje van 15.000 inwoners, met als enige werkgevers leerlooierijen, bierbrouwerijen, hoeden- en kammenfabrieken en één zeepziederij, Het Anker.

Johann Peter kocht de failliete boedel van deze al sinds 1733 bestaande ziederij van zachte groene zeep in 1854 op, breidde het assortiment uit met harde toiletzeep en bracht het zaakje tot bescheiden bloei. Bij de overname telde de firma zeven werknemers; in 1861 waren het er tien, voornamelijk inpakmeisjes. Om Het Anker en de stad Nijmegen op te stoten in de vaart der volkeren ijverde Johann Peter met andere lokale notabelen voor spoorlijnen naar West-, Zuid- en Noord-Nederland en het Duitse achterland, en aldus schiep hij een basis waarop volgende generaties konden voortbouwen.

Onder zijn zoon Theodoor (1830-1912) werd de fabricage van groene zeep gestaakt en concentreerde de firma zich geheel op harde toiletzeep, maar pas na het aantreden van de derde generatie in de persoon van Pierre Dobbelmann (1862-1934) kwam er meer schot in. Begin 20ste eeuw mocht de firma zich kortstondig de grootste zeepfabrikant van het land noemen, al wordt uit het gedenkboek niet erg duidelijk hoe Pierre dat karwei precies klaarde. De auteurs noemen ter verklaring de afschaffing van de accijns op zeep (1893); een grote fabrieksbrand (1895) die noodzaakte tot vernieuwing van alle installaties en de bouw van een fabriek aan de stadsrand; de introductie en export van nieuwe produkten als zeeppoeder, vloeibare zeep en shampoo en ook brengen zij naar voren dat Pierre de macht der reclame en de betekenis van tot de verbeelding sprekende merken goed begreep.

Zo bedacht hij - geïnspireerd door vakanties aan de Franse Rivièra - zeepnamen als Savon de Nimègue Favorita, Savon dulcifié aux Fleurs en Savon à la ose de Monte Carlo, verpakt in wikkels in Jugendstil. Met hulp van het Amsterdamse Advertentie-Bureau A. de la Mar te Amsterdam, dat ook weggevertjes ontwierp als kalenders en ansichtkaarten met frisgewassen diva's, werd de naam Dobbelmann een nationaal begrip. Bij de viering van 50 jaar Dobbelmann in 1904 bestond het personeel uit 16 kantoormensen, 2 handelsreizigers en 106 mannen en vrouwen in de fabriek, die op een personeelsfeest uit volle borst zongen 'Zinge ieder wat hij kan/Leve de zeep van Dobbelmann'.

Lang duurde de feestvreugde echter niet. Gedurende de Eerste Wereldoorlog worstelde het bedrijf met grondstofproblemen en in de jaren daarna werd het overvallen door concurrentie van Amerikaanse zeep van Procter & Gamble (Palmolive) en vervolgens ook door de Nederlands/Britse zeep van het in 1928 geformeerde concern Unilever (Sunlight en Lux). Toen Anton Jurgens, die eveneens in Nijmegen woonde, al voor de totstandkoming van Unilever in zijn hoedanigheid als topman van de zeep vervaardigende fabrieken van Jurgens te Oss bij Pierre Dobbelmann aanklopte met een overname-aanbod, wees de laatste dat resoluut van de hand. Hij was nu eenmaal trots op het bedrijf, wenste de zaak door te geven aan zijn nazaten en wilde ook zijn werknemers niet uitleveren aan een multinational die fabrieken even makkelijk overnam als sloot.

Wat de zorg voor werknemers betrof was de firma Dobbelmann voor die tijd tamelijk sociaal, en ook deed de familie het nodige aan armenzorg en andere vormen van liefdadigheid. Tegelijkertijd hielden de rooms-katholieke Dobbelmannen van het goede des levens. Op hun landgoederen werden geregeld tuinfeesten en jachtpartijen gehouden en in hun stadsvilla's gaven zij bals, diners en huisconcerten, waar gasten kwamen als de dirigent van het Concertgebouworkest Willem Mengelberg, bisschoppen, kardinalen en de pauselijke internuntius. Er was vrijwel geen jongen Dobbelmann of hij ging school bij de jezuïeten in Nijmegen of op hun kostschool in Katwijk.

Nog een familietraditie was dat de Dobbelmannen zich gedurende generaties in de gemeentelijke, provinciale en landelijke politiek begaven, als verdedigers van katholieke zeden en economische belangen. Pierre Dobbelmann bijvoorbeeld liet zich als Nijmeegs raadslid in met de gemeentebegroting en de filmkeuring. Met andere lokale industriëlen, onder wie de steenfabrikant S. Arntz en leden van de familie Jurgens, ijverde hij voor 'Legendo Discimus' (Al lezende leren wij), een boekenrij annex bladenbestand van hoofdzakelijk katholieke signatuur. Bij het katholieke dagblad De Gelderlander was hij commissaris/aandeelhouder. Ook behoorde hij tot de initiatiefnemers en weldoeners van de in 1923 in Nijmegen geopende Rooms-Katholieke Universiteit. In de Eerste Kamer voerde Pierre Dobbelmann onder meer het woord over wijzigingen in de Successiewet, de Pachtwet, de Wet op kinderarbeid en het invoerrecht op sigaren.

Nadat meneer Pierre in 1929 zijn zaken had overgedragen aan zijn zoons Nol en Reinier (die later steun kregen van hun broers Piet en Theo), bleef de firma Dobbelmann aan de markt als een middelgrote zeepfabrikant, met een naam- en merkbekendheid die concurrenten jaloers maakte. Als drijvende krachten achter die buitenproportionele bekendheid noemen de auteurs van het gedenkboek de in 1902 geboren Reinier Dobbelmann (afgestudeerd jurist, maar een geboren marketingman), diens assistent Wim Markus, het reclamebureau DelaMar en de daar werkende tekstschrijver Karl Sartory. Gevieren brachten zij de fabrieksnaam Dobbelman, voortaan zonder dubbele n, op ieders lip. Als hèt huismerk introduceerden zij in 1933 Castella, een naam die aanvankelijk was gekozen voor een nieuwe, van Castiliaanse olijfolie gemaakte toiletzeep, herkenbaar aan het silhouet van een vrouwenkopje met een puntige mantilla op het hoofd. Na gebleken succes werd die naam aan alle produkten gegeven, voorzien van het kopje met kapje. Coco Roso Scheerzeep veranderde in Castella Scheerzeep en Anker Zelfwerkend Waschmiddel heette voortaan Castella Actief Wit.

Op het dak van de fabriek in de Nijmeegse wijk Bottendael kwam de merknaam Castella in grote neonletters te staan. In 1937 liet de directie in Amsterdam, Haarlem, 's-Gravenhage en Rotterdam trottoirtegels leggen met de slogan 'Op goede zeep staat Dobbelman'. Als gevolg van al die inspanningen verviervoudigde de omzet gedurende het interbellum, al liep het bedrijf een steeds grotere achterstand op bij de internationale concurrenten.

Over de oorlogsjaren 1940-1945 is het boek uiterst beknopt. Doordat president-directeur Reinier kort voor de bezetting 600.000 kilo grondstoffen had ingeslagen kon de produktie doorgang vinden. Volgens de auteurs stelde het bedrijf zich 'tamelijk onafhankelijk' tegenover de bezetters op, maar hoe dat in z'n werk ging wordt niet vermeld.

Na de bevrijding kon de firma Dobbelman, die nauwelijks oorlogsschade had geleden en die in 1945 ruim driehonderd personeelsleden telde, een nieuwe start maken met toiletzeep, scheerzeep, shampoo, tandpasta en nachtcrème, daarbij geholpen door het Marshall-plan en opnieuw reclameman Karl Sartory. Zo bedacht deze een jarenlang lopende campagne voor scheerzeep, met door Eppo Doeve en later Charles Boost getekende karikaturen van roemruchte mannen als Barbarossa, Julius Caesar, Peter de Grote, Adolf Hitler en Churchill.

Anno 1958 vierde de firma Dobbelmann het 225-jarig bestaan, gerekend vanaf de oprichtingsdatum van de voorafgaande firma Het Anker anno 1733. Ruim zeshonderd patiënten en verzorgers van het Albert Schweitzer-ziekenhuis in het Afrikaanse Lambarene kregen bij die gelegenheid voor een jaar gratis zeep en tandpasta. Met de groei van de fabriek steeg ook de milieuoverlast voor de buurt Bottendael, die voortdurend werd geplaagd door weinig frisse luchtjes, zeepstofregens op ramen en auto's en zelfs schuim in de straten. Begin jaren zestig leidde dat tot harde confrontaties met de buurt, maar wegens het economische belang van de firma hoefde het bedrijf niet te wijken. Wel werden maatregelen genomen om de overlast te beperken.

In diezelfde tijd kreeg het bedrijf problemen door de opkomst van de Europese markt, een krachtenspel waarin het familiebedrijf Dobbelmann niet goed meer mee kon, ook al was vanaf 1952 voor uitbreidingskapitaal een beroep gedaan op een institutionele aandeelhouder, de Nederlandse Participatie Maatschappij. Zelf konden c.q. wilden de familieleden niet het benodigde kapitaal voor investeringen op tafel leggen; jaarlijks eisten zij het volle pond aan dividend.

Daar kwam nog bij dat er problemen waren met de opvolging. Zoon Pierre wenste niet in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden en drie niet-familieleden die als potentiële opvolgers werden gezien, de heren ir. F. Damen, drs. Th.G. Heijke, R. Aeg. Timmerman, bleken niet op hun taak berekend. Vandaar dat Reinier op zoek ging naar een koper voor het bedrijf. In 1964 had Unilever al een serieuze toenaderingspoging gedaan, maar toen Reinier informeerde wat een eventuele overname voor de Nijmeegse fabriek zou inhouden, kwam daar een duidelijk antwoord op: het bedrijf in Bottendael zou worden opgeheven. Reinier wenste dat niet te accepteren en kon alleen instemmen met een eventuele verhuizing van de afdelingen research en marketing.

Ter motivering van zijn standpunt vertelde Reinier de auteurs in 1995: “lk hield voet bij stuk. Vanuit mijn sociale optiek uiteraard, want onze werknemers en ik waren buitengewoon goed met elkaar. Er was door de jaren heen een vertrouwensrelatie gegroeid tussen hen en mij en ik had de zekerheid dat ze mij, en terecht, van verraad zouden beschuldigen, als ik op het voorstel van Unilever was ingegaan. Ze zouden immers op straat zijn gezet. [...] Je kunt moreel gesproken nooit een zeer voordelige verkoop van en voor een familie-onderneming sluiten, als daardoor enige honderden werknemers werkloos worden. Dat is een gewetenszaak van de eerste orde.”

Het gevolg was dat de onderhandelingen met Unilever in oktober 1965 stuk liepen, maar al spoedig meldden zich nieuwe gegadigden. De Amerikaanse concurrent Procter & Gamble liet weten de Nijmeegse fabriek na een overname te willen handhaven, zij het met een afgeslankt personeelsbestand, en werd daarom eveneens afgewezen. Daarna kwam Koninklijke Zout-Organon NV (KZO) te Arnhem in beeld, een concern dat kort tevoren de Rotterdamse firma Kortman & Schulte had overgenomen, producent van onder meer zachte zeep, soda en het wasmiddel Biotex. KZO sprak de intentie uit de werkgelegenheid in de Nijmeegse zeepfabriek intact te willen laten en per 27 augustus 1968 werden de onderhandelingen met succes afgerond, op dezelfde dag dat Heineken de overname van Amstel bekendmaakte en de verzekeraars RVS en De Zeven Provinciën met elkaar fuseerden. Bij de overname door KZO telde Dobbelmann 446 personeelsleden en bedroeg de omzet ruim dertig miljoen gulden.

In een epiloog van het gedenkboek wordt verteld hoe het verder ging met enkele nazaten. Pierre, de in 1936 geboren oudste zoon van Reinier, maakte eerst carrière bij de American Enka Company en was later in dienst bij het ministerie van Economische Zaken als 'Industrial Commissioner' te New York, in welke functie hij belast was met het overhalen van Amerikaanse bedrijven om zich in Nederland te vestigen. De oudste zoon van Pierre, weer een Reinier, koos voor de bankwereld en is nu senior beleggingsanalist van een in Tokio gevestigde dochteronderneming van de Swiss Bank.

Hoe het met de fabriek van de Dobbelmannen verder ging, meldt het gedenkboek niet, maar is eenvoudig te achterhalen. Na de overname door KZO in 1968 smolt KZO een jaar later met de Algemene Kunstzijde Unie samen tot AKZO en werd Dobbelmann ondergebracht bij de divisie Akzo Consumenten Produkten, die in 1986 werd afgestoten naar Sara Lee/Douwe Egberts. Vandaag de dag bestaat Dobbelman onder deze moeder nog slechts als een merk.