De broekbewapperde mens

Met stijgende verbazing volg ik Gods opmars door de media. De ene schrijver - en het cliché wil dat de schrijver een vrijdenker is - wordt katholiek, de andere probeert het.

De ene dominee legt op toffe wijze het Oude Testament uit aan het Veronica-volkje en scoort een bestseller, de andere schrijft zachtmoedig-moderne preekjes op de Achterpagina van deze non-confessionele krant. Ethische discussies, over euthanasie en hulp bij zelfmoord bijvoorbeeld, worden weer nadrukkelijk gerelateerd aan de codes van het evangelie. Boosaardige columnisten stoken vuurtjes op ('God is een Aap') en de huis-rationalist van deze krant haalt zijn oude koeien weer van stal om ze door de religieuze wei te laten daveren. “Gelovige Nederlanders kopen ruim dertig procent minder reliboeken dan niet-gelovigen”, schrijft Het Parool, dat dan ook stelt: 'Nederland is zoekende'. De EO is groter dan de Tros. Oibibio bloeit.

Hoewel een discussie over het geloof zinloos is - je doet het of je doet het niet, geloven - begrijp ik de behoefte aan bekering, van beide kanten. Het heeft ermee te maken, denk ik, dat het niet gaat om een wetenschappelijke waarheid met bijbehorend bewijs - daar nemen we gewoon kennis van, o zit dat zo, nou dat weten we dan ook weer - maar het gaat om de Ultieme Waarheid, om de Zin en Redding van ons leven. Zo'n Waarheid wil je niemand onthouden, die schreeuw je erin.

Ik begrijp ook dat iemand bezwijkt voor de metafysische verleiding omdat hij het leven te leeg en te onbegrijpelijk vindt in het aangezicht van de dood. Dat is het namelijk ook: leeg en onbegrijpelijk. En onze aanstaande dood maakt alles weerzinwekkend zinloos. Wie wil er dan niet aanschurken tegen de grote Moeder, pardon Vader, die ons allen in Liefde verbindt, die na de dood nog steeds bij ons is en van wie men zegt dat Hij al die prachtige boeken heeft geschreven met al die prachtige verhalen erin? Je reinste literatuur en dan nog Waar ook!

Toch ben ik verbaasd. Ik dacht namelijk dat de mens die woonachtig is op het schiereiland van de westerse cultuur, omringd door een zee van domheid, onwetendheid en misleiding, na eeuwen van toenemend rationalisme inmiddels zo hoog op de rotsen van zijn eigen geestkracht was geklommen dat hij God niet meer nodig had, evenmin als Marx, het eigen ras of het eigen volk.

Zie hem staan, in de stormen des levens, oog in oog met de leegte die hem omringt. Ik ben trots op hem omdat hij in staat is te leven met de erkenning dat er voornamelijk vragen zijn en nauwelijks nog antwoorden (en dat het stellen van die vragen dus geen zin meer heeft). Met de erkenning dus, dat de werkelijkheid onoverzichtelijk is, de Ander onbereikbaar en de dood het einde van alles.

Ik ben trots op hem omdat hij erin geslaagd is troost te putten uit deze eenzaamheid en vergankelijkheid. De gruwelijke wetenschap dat hij er volstrekt alleen voor staat, dat niemand hem kan helpen, betekent tenslotte ook een bevrijding, daar hoeft hij geen energie meer in te steken; het blijft vreselijk maar het is voorbij. Het is zijn laatste emancipatie. Zijn laatste afscheid van de Beschermende Hand, die geseculariseerd werd in wetten en emotioneel gecompenseerd in liefde en vriendschap, kunst en clubverband. Herinnering en weemoed om alles wat voorbij gaat zullen nooit verdwijnen en de dood blijft een schandaal, maar ook hier geldt de troostende erkenning dat er geen oplossing is. Nee, vrolijk is hij niet, deze mens, maar rijk is hij wel.

Ten slotte ben ik trots op hem omdat hij een samenleving in stand kan houden zonder het noodzakelijk geachte cement van een ideologie of godsdienst. Twee richtlijnen kent hij nog. De ene, zelfverwerkelijking, gaat hem gemakkelijker af dan de andere, solidariteit, maar ook het laatste lukt steeds beter omdat hij steeds beter in staat is het vreemde als het eigene te zien.

Juist omdat ik zo trots op hem ben, doet het me verdriet dat hij niet altijd doorloopt voor de influisteringen van de metafysica, maar stilstaat en met haar meegaat. Ik beschouw dat als capitulatie, als regressie en ik bespeur ook bij mezelf de neiging tot bekering: dwaal niet af, wees sterk! Maar natuurlijk erken ik deze vorm van zelfverwerkelijking - dan moet hij het ook zelf maar weten. Pas als de gelovige mens weer een macht in de samenleving dreigt te vormen, 'wanneer het ijzeren handje tac tac tac uit angst weer bij ons de klok terug zet', (Lucebert), kom ik in het geweer.

Ik moet iets bekennen. In een buitenlandse kerk steek ik wel eens een kaarsje aan om mijn doden te gedenken - een beetje slordig, ik vergeet er wel eens een - en dat levert het gevoel op dat ze aanwezig zijn, een soort van zweven is het in de dampkring van mijn bewustzijn. Je kunt namelijk iemand gedenken alsof hij nog leeft, maar ook als iemand die dood is. Aangezien onze geest het Niets niet kan denken, zorgt hij voor een soort aanwezigheid, ergens vlak buiten ons. Vandaar. Misschien dat uit die en andere ervaringen niet de idee van het hiernamaals is ontstaan maar wel het geloof erin.

Vanuit bovenstaand gedachtegoed, ongeveer, heb ik laatst een gedicht geschreven, dat ik hier dan maar bij doe. Hopelijk staat er nog wat meer in, iets dat raakt aan 'het mysterie'. Van het leven wel te verstaan.

-----------------

Dat er altijd maar die bron zou zijn Die reikt tot in de hemel

Het is de mens die op de kemel Des woestijns en ons doortrokken heeft Van waterput tot avondkleding Die ons nu verlaat en meeneemt Zichzelf verlaat voor wat ons denkt

Tot hier op de bedijkte dijk De broekbewapperde mens Die nu omziet voor een bagagedrager (en een broekklem)

Vlaggen psalmen en voordewindseliederen Inleveren bij de windmolen Waar men dood maalt en tegenwind maakt Angst en vreze te behouden

Spring maar achterop bij de mens