Alle macht komt in Zuid-Korea van boven

Economisch gaat het Zuid-Korea voor de wind, maar maatschappelijk is er veel mis. Dat roept, aldus Mark Clifford, de vraag op of de in het Westen wijdverbreide opvatting dat economische ontwikkeling vanzelf tot politieke vrijheid leidt, wel klopt.

De foto's van de Zuidkoreaanse oproerpolitie in gevechtstenue, opgesteld tegenover stenen gooiende betogers had van tien jaar geleden kunnen zijn. Toen onderdrukte de door militairen gedomineerde regering de dissidentenbeweging onderdrukte. Maar de beelden staan in de kranten van nu.

Ze tonen hoeveel er niet veranderd is in Zuid-Korea, ondanks de tien jaar durende opmars naar een vrijer, opener en democratischer maatschappij. Weliswaar genieten de Koreanen nu een inkomen per hoofd van tegen de 20.000 gulden, maar toch ademt Zuid-Korea meer de sfeer van een éénpartijstaat dan van een levenskrachtige democratie.

Kim Young Sam, ooit een tot hongerstaken geneigde dissident, werd lid van de regerende partij en heerst nu over het land in een autoritaire stijl die veel meer weg heeft van het generaalsregime dat Korea dertig jaar lang regeerde dan zelfs zijn felste tegenstanders hadden gedacht. Kim heeft de betogingen en stakingen die Zuid-Korea de afgelopen maand in beroering hebben gebracht uitgelokt door zijn partij een aantal controversiële wetten op het gebied van arbeidsrecht en nationale veiligheid erdoor te laten drukken in een geheime parlementsvergadering in alle vroegte op Tweede Kerstdag.

Juist toen het protest daartegen begon te verlopen, werd het land opgeschud door het grootste financiële schandaal uit zijn geschiedenis: een spectaculair bedrijfsfaillissement waarbij systematische corruptie tussen zakenleven en overheid aan het licht kwam van het soort dat Kim had beloofd te zullen uitroeien.

Of er nu, zoals de oppositie beweert, functionarissen of familieleden in Kims directe omgeving bij het schandaal betrokken waren of niet, het faillissement van een onderneming met zo'n 11 miljard gulden aan schulden waarbij aandeelhouders vrijwel geheel achter het net vissen, duidt op het bestaan van een bankwezen dat meer waarde toekent aan politieke connecties dan aan goed ondernemerschap.

Er is veel veranderd in de tien jaar sinds honderdduizenden Zuidkoreanen, onder wie Kim Young Sam, in juni 1987 de straat opgingen en de regering dwongen tot open presidentsverkiezingen. De pers en de vakbonden in Korea zijn vrijer geworden en plaatselijke verkiezingen hebben de kiezer een eerste stap in de lokale politiek gegund.

De veranderingen op het persoonlijke vlak zijn het opvallendst. Paspoorten waren niet algemeen beschikbaar tot 1989. Nu reizen jaarlijks honderdduizenden Koreanen naar het buitenland, veelal naar China, een land dat tien jaar geleden werd verketterd om zijn communisme, maar nu wordt omarmd als potentiële markt en als culturele bloedverwant.

Tien jaar geleden was het invoeren van wijn verboden. Nu zitten de modieuze cafés in Seoul vol wijndrinkers. Toen kon maar een enkele Koreaan zich een auto veroorloven. Nu hebben de meeste huishoudens er een.

Maar ook is er veel níet veranderd. Korea hangt zelfs nog in zó veel opzichten aan zijn autoritaire verleden, dat men zich afvraagt of dit 45 miljoen inwoners tellende land wel op weg is naar een democratie. Meer in het algemeen roept het de vraag op of de in het Westen wijdverbreide opvatting dat economische ontwikkeling vanzelf tot politieke vrijheid leidt, wel klopt.

De macht komt nog altijd van boven - uit een presidentieel paleis dat zijn activiteiten grotendeels voor het publieke oog verborgen houdt, en uit een bureaucratie die meent dat het haar taak is iedereen te commanderen, van zakenlieden tot boeren en studenten. Korea is nog altijd een verdeeld land, niet allen verdeeld in Noord en Zuid, maar ook in werknemers en werkgevers. Er is verdeeldheid tussen mensen uit diverse regio's en tussen regering en bevolking.

De wijze waarop de arbeidswet door het parlement is gejast, weerspiegelt de overtuiging dat macht veel belangrijker is dan correcte procedures, wat ook neerkomt op wantrouwen jegens de praktijk van de democratie in een land dat moeite heeft een nationale consensus te bereiken. Dat de overheid de arbeidswetgeving wilde openbreken is begrijpelijk. Het land heeft tien jaar van gemiddeld 15 procent loonstijging achter de rug - aanzienlijk sterker dan de toename in produktiviteit.

In een Korea dat zichzelf uit de markt prijst, willen de gigantische ondernemingen de vrijheid werknemers te ontslaan en hen efficiënter in te zetten. Goed - maar de werknemers (en de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) wilden af van het monopolie dat de van overheidswege gesanctioneerde vakbond genoot, en wilden minder beperkingen op het vakbondswezen.

Daar had Korea ook mee ingestemd, meende de OESO toen zij Korea eind vorig jaar als lid toeliet. Maar de nieuwe arbeidswet stelde verruiming van de vakbondsvrijheid uit tot het jaar 2000, hetgeen nu niet direct blijk geeft van bona fide streven aan regeringszijde.

Toen de mannen van Kim Young Sam geen consensus wisten te bewerkstelligen, namen ze hun toevlucht tot het parlementaire equivalent van geweld. De oppositie zag geen andere mogelijkheid dan de straat op te gaan. Aziatisch ethos?

De Zuidkoreaanse machtsstructuur met zijn nadruk op gehoorzaamheid aan en eerbied voor wie machtsposities bekleden, wordt nog versterkt door de voortdurende spanningen met Noord-Korea. De twee landen zijn officieel nog altijd met elkaar in oorlog, hoewel de feitelijke vijandelijkheden in 1953 zijn gestaakt.

Zuid-Korea, een industriële krachtcentrale in alles van auto's tot halfgeleiders, heeft de tweestrijd duidelijk gewonnen. Het Noorden is een arm, geïsoleerd en in toenemende mate honger lijdend land. Maar dat weerhoudt het Zuiden er niet van om een ieder die het huidige regeringsstandpunt relativeert, hard aan te pakken.

De openbare aanklager in Seoul heeft een langdurige gevangenisstraf geëist tegen een romanschrijver die vorig jaar naar het Noorden is gereisd (en hetzelfde geldt voor anderen die het Noorden hebben bezocht); betogers tegen de arbeidswet zijn ervan beschuldigd dat ze onder de invloed van het Noorden staan en wie de Internet-site van Pyongyang bezoekt, hangt arrestatie boven het hoofd.

Dit gebruik van de vermeende Noordkoreaanse dreiging is een doorzichtig middel om het land onder politieke controle te houden. Helaas zijn de Zuidkoreaanse leiders er niet in geslaagd een cultuur van vertrouwen te creëren, een besef van gemeenschappelijk streven.

Hoewel Korea een van 's werelds oudste naties is - toen de Japanners het in 1910 koloniseerden, bestond het al 1.200 jaar vrijwel zonder onderbreking als onafhankelijk land - is het nationaal besef er gebaseerd op de gedachte dat het een heel klein, bedreigd land is. De hereniging van de twee Korea's, en de wederopbouw en verzoening die daarmee gepaard moeten gaan, zouden kunnen leiden tot een positiever nationaal besef en zou een eind kunnen maken aan de talrijke scheidslijnen die Zuid-Korea thans doorsnijden.

Maar dat is een optimistische interpretatie: voorlopig heeft Zuid-Korea zichzelf veroordeeld tot het voeren van een confrontatiepolitiek.