Uit

Wij gaan nooit uit. Wel 's naar vrienden en familie, maar een concert, toneelstuk, film of opera - hoe goed het ook is voor het kunstzinnig gemoed daar 's royaal van te genieten, het gaat telkens weer niet door, en vaak om een onnozele reden.

Het ligt aan ons, maar ook aan het systeem. Je moet het willen en alert zijn. En op de hoogte. En je wilt iets bijzonders, want anders kun je net zo goed thuis blijven. Een Mozart voor de pauze en een Mendelssohn erna, daar stap ik niet voor in de auto. Ik heb cd's genoeg en nog veel meer platen. Rondom mijn fauteuil staan stapeltjes boeken. De wanden - boeken tot aan het plafond en waar geen boeken staan hangen schilderijen. Kunst zat, in ons huis. Ik hoef de deur niet uit. Radio en tv - alleen via de gids, en dan nog. Ik kan niet naar een radio luisteren als ik lees, tv heb ik voor teletekst. Sonja zie ik niet vaker dan zij mij.

Maar soms krijg ik de geest, dan lees ik in de krant dat 'De meiden' gaat in Groningen. Dan bel ik daadkrachtig op - om te horen dat de voorstellingen al wekenlang zijn uitverkocht. Dat Groningen toch. En ik ben weer een half jaar koest. De laatste keer dat ik uit geweest ben, was op een middag, naar de film 'Dead Man Walking', om er een stukje over te schrijven, voor Trouw, omdat ik over dit soort dingen heb nagedacht.

Het is niet de afstand. Als we opeens geen brood meer in huis blijken te hebben, stap ik in de auto, rij ik twintig kilometer voor een brood. We zijn zeer mobiel en wij niet alleen. Vrienden van ons, op de hoek, bezoeken regelmatig de - heet dat nog de Stopera? Woon je ergens diep in Drenthe, maar zulke mensen, die vrienden van ons dus, hebben niets provinciaals over zich, die springen om half zes in de auto, zien 'Parsival' en zijn 's nachts twee uur weer thuis. Die hebben gewoon het gevoel in de outskirts van Amsterdam te wonen. En daar, bij de opera, kun je goed parkeren, dat is het probleem niet.

De laatste keer dat we in Groningen naar de schouwburg zijn geweest, was met 'Hoffmanns vertellingen', van Offenbach. Daar hebben we van genoten. Zozeer, dat we op weg naar huis elkaar bezwoeren dat we dit vaker gingen doen. Want het was echt een succes. We denken er al jaren met plezier aan terug.

Ik weet niet wat het is. Toen ik nog alleen woonde, in Amsterdam, ging ik regelmatig uit. Concertgebouw. De orgelsymfonie van Saint Saëns. Ik zat achter op het podium, bijna naast de organist. Onvergetelijk. Maar sinds ik niet meer alleen woon, ga ik ook niet meer uit. We zijn huiselijke types, mijn vrouw en ik - die conclusie mag je wel trekken. Niet dat we nooit ruzie hebben. Eens in de zoveel tijd vliegen de voorwerpen door de kamer, is het huis te klein, maar dat los je niet op door dan samen naar een concert te gaan.

We denken wel 's aan series. Je betaalt een flink bedrag, krijgt de coupons thuis en dan ben je in één keer van alles af. Want dan moet je wel. Dat hebben we al wel 's gedaan trouwens. Op die manier kregen we Herman van Veen te zien, Rients Gratama en een toneelgezelschap met Ank van der Moer. 'De getatoeëerde roos'. Allemaal in Hoogeveen, maar we sloegen toch aardig wat voorstellingen over - eenvoudig omdat we andere dingen hadden om te doen. Dan vergeet je gewoon dat je 's avonds uit zult. De laatste keer, in Hoogeveen, dat was met Wim Kan. Ook in een serie, alles betaald en toch glad vergeten. Speet ons werkelijk, toen we dat later ontdekten.

En nu, vele jaren later, kreeg ik het opeens in mijn hoofd weer naar een concert te gaan, naar de Oosterpoort. Niet naar de grote zaal, want ik hou niet van dat 3 x klappen, maar de kleine. Intiem. Speciaal. De zes cellosonates van Bach. Dus ik koop een kaartje, de dag te voren, want ik ben in de stad. Even poolshoogte genomen hoe je daar met de auto de parkeergarage ingaat - geen enkel probleem. Het wijst zich allemaal vanzelf.

En je hoeft tegenwoordig ook niet meer een stropdas voor. Je werkt in de tuin, wast je handen, stapt in de auto, op weg naar de cellosonates van Bach - op een barokcello. Met nog (of weer) kattedarmen. 'Een darmsnaar', las ik, 'is een vervelend stuk touw, waar een ongelooflijk, bijna menselijk soort rafelig geluid uit komt, dat soms enorm kan stralen, maar ook piept en schuurt. Ook muziek moet kunnen knarsetanden. Het is geen kunstmatig materiaal, het is een darm.'

Pieter Wispelwey. Een betrekkelijk jonge cellist. Geen Rostropovitsj, geen Casals, - die romantiek ken ik zo langzamerhand wel. Nee, dat 'gevecht tussen de touwen', daar had ik nou echt 's zin in. Ook om te zien.

Gaat het misten. Er was geen mist, niet bij ons. Maar het zesuurjournaal laat verschrikkelijke beelden zien, 4 doden, 6 doden. Honderden auto's 'als kruiend ijs over elkaar geschoven'. Allemaal door de plotselinge mist. Mijn bijna-naamgenoot bezweert ons dat het de komende uren weer zéér, zéér mistig zal worden, in het hele land.

Ik kijk op mijn horloge. Voor een treintaxi is het al te laat, het concert begint om half acht en ik heb een verrekte hekel aan fietsers zonder licht. Normaal zie je die wel: als een schaduw, maar in de mist zie je die schaduw niet en dat is vreselijk, elke keer weer. Fietsers zonder licht moeten ze ophangen. Maar zal ik nou gaan of niet? Erwin Kroll met twee l's voorspelt ons dat het vreselijk dicht zal komen te zitten, met een zicht van minder dan twintig meter, ja zelfs met een gevoelsafstand van minder dan vijf. De Nederlandse wegen liggen bezaaid met autowrakken! Blijf thuis!! roept Erwin en met zijn grote handen houdt hij ons tegen. Mensen, blijf thuis!!

Ik kijk naar buiten en zie de eerste mistvlaag al voor onze ramen zweven.

Mijn vrouw zegt 'zou je wel gaan? Het is misschien beter van niet, met je ogen.' (Zelf kan ze niet mee, we hebben onze kleinzoon.)

'Nou ja', zeg ik. En ik blijf thuis.

Altijd hetzelfde gelazer, met Hilversum. Laten ze hun mond houden. Wat schijnt het zonnetje heerlijk, niet luisteraars, kraait 's morgens de omroepster die denkt dat Hilversum de wereld is, en dat is het niet, want het regent bij ons dat het giet. En Erwin wist er ook niets van. Het heeft die avond niet gemist. Zelfs de trein floot niet.