Technolease

EN ZO WAS ER in de toch al zo turbulente nadagen van het kabinet-Lubbers/Kok bijna nog een bewindspersoon voortijdig vertrokken. De staatssecretaris van Financiën, M. van Amelsvoort, heeft in juli 1994 toen het kabinet reeds volop demissionair was, serieus met de gedachte gespeeld af te treden.

Hij had grote moeite met de 'technolease-constructie' tussen de Rabobank en de noodlijdende vliegtuigbouwer Fokker waaraan het kabinet zijn goedkeuring diende te hechten. Een fiscale constructie waarvan niet alleen Fokker, maar vooral ook de Rabobank beter werd, zoals blijkt uit een uitvoerige reconstructie die eind vorige week in deze krant is gepubliceerd.

De twijfel van de staatssecretaris was gevoed door adviezen van de onder hem ressorterende belastingdienst. Van die zijde werd er onder andere op gewezen dat deze regeling de schatkist honderden miljoenen guldens zou kunnen kosten, een precedent voor andere bedrijven kon scheppen en problemen zou kunnen opleveren met de Brusselse regelgeving. Een advies is echter maar een advies. Het is uiteindelijk de politiek die beslist. Dat is dan ook tijdens één van de laatste vergaderingen van het kabinet-Lubbers gebeurd. De bezwaren van Van Amelsvoort, maar ook die van minister van Sociale Zaken De Vries, werden terzijde geschoven en de technolease-regeling voor Fokker kreeg het groene licht.

HET PRINCIPE 'de regering regeert en het parlement controleert' was overigens ook in deze zaak weer ver te zoeken. In feite werkten de specialisten uit de Tweede Kamer en de betrokken bewindslieden hand in hand. Nu is dit bij majeure kwesties vanzelfsprekend wel vaker het geval. Zeker als het gaat om de belangen van ondernemingen is het niet ongebruikelijk dat de regering de volksvertegenwoordiging in een vroeg stadium in een vertrouwelijk beraad bij de afwegingen betrekt en sondeert. Cruciaal daarbij is wel dat de informatie die van de zijde van de regering wordt verstrekt volledig is. Juist bij dit punt zijn de nodige vraagtekens te plaatsen.

De technolease-constructie is in eerste instantie ontwikkeld voor Philips, later voor Fokker. Door zijn technologische kennis te 'verkopen' aan de Rabobank en deze vervolgens terug te huren, kon Philips direct over geld beschikken. Het was een ingenieuze regeling die pas later in de openbaarheid kwam. Dat wil zeggen: gedeeltelijk. De omvang van de bedragen bleef onbekend, zoals ook onduidelijk was wat nu het batig saldo van deze operatie voor de Rabobank was. Dat er, voorzichtig gezegd, het één en ander op de totstandgekomen regeling viel af te dingen, heeft ook de Algemene Rekenkamer in een later stadium kenbaar gemaakt.

Het feit dat de technolease-constructie niet meer bestaat is ook veelzeggend. Door kort na zijn aantreden als staatssecretaris van Financiën de regeling af te schaffen gaf de PvdA'er Vermeend de ambtenaren die zijn voorganger Van Amelsvoort al voor de gevolgen hadden gewaarschuwd met terugwerkende kracht alsnog gelijk.

WAAR HET NU om gaat is allereerst het antwoord op de vraag of de Tweede Kamer die indertijd instemde met de technolease-constructie volledig op de hoogte was van de financiële gevolgen. Uit de eerste reacties van parlementariërs valt op te maken dat dit althans voor een groot aantal onder hen niet het geval was. Bovendien blijkt een deel van de Kamer verrast door de 'winst' die er voor de Rabobank aan de regeling vastzat.

Los daarvan zijn er nog een aantal vragen op het bestuurlijk-politieke vlak te stellen. Hoe demissionair gedroeg premier Lubbers zich? Wat was bijvoorbeeld de rol van toenmalig minister van Financiën Kok in het geheel? Waarom hield hij zich zo afzijdig? En wat te denken van de voorzitter van de vaste Tweede-Kamercommissie voor economische zaken, H. Vos, die opdracht gaf bandopnamen van vertrouwelijk overleg te wissen. Het is maar een greep uit de reeks van vragen die naar aanleiding van de technolease-constructie en de nasleep ervan kan worden gesteld.

Duidelijkheid is nu geboden. Een Tweede Kamer die zichzelf respecteert gaat zelf op zoek naar die duidelijkheid.