'Politiek negeert openbaar vervoer als grondrecht'

DEN HAAG, 4 FEBR. De privatisering van het openbaar vervoer in Nederland mag er niet toe leiden dat de overheid zijn handen volledig aftrekt van bus- en treinvervoer. Een goed openbaar vervoer is voor de burger noodzakelijk om grondrechten zoals het recht op gezondheidszorg of onderwijs te realiseren. Daarom dient de overheid in de toekomst eisen te stellen aan de private exploitanten van trein- en buslijnen.

Die conclusie trekt jurist mr. P. Nabben in een onderzoek bij de Wetenschapswinkel Rechten van de Universiteit Utrecht. Het onderzoek werd verricht in opdracht van 'Rover', de vereniging van reizigers met het openbaar vervoer. Het rapport zou vanmiddag overhandigd worden aan de voorzitter van de Vaste Kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat, CDA-kamerlid Biesheuvel.

Minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) wil het openbaar vervoer op korte termijn privatiseren. De Nederlandse Spoorwegen en de busmaatschappijen moeten op eigen benen staan en er moet concurrentie komen van nieuwe bedrijven, aldus het beleid. Rover vreest dat de commerciële exploitatie zal leiden tot hogere prijzen, het opheffen van onrendabele lijnen en onregelmatige dienstregelingen. De belangenvereniging vroeg aan onderzoeker Nabben te inventariseren of er een recht bestaat op een minimum aan openbaar vervoer, en de overheid dus verplicht is te eisen van de bedrijven dat bijvoorbeeld in dunbevolkte gebieden een redelijk niveau van openbaar vervoer wordt gehandhaafd.

Een grondrecht op openbaar vervoer is niet opgenomen in de Nederlandse Grondwet. En ook de zorg van de overheid voor de bewoonbaarheid van het land (artikel 21) betekent nog niet dat de overheid verplicht is burgers een minimumniveau van betaalbaar openbaar vervoer te bieden.

Maar in zijn onderzoek concludeert Nabben dat een goed openbaar vervoer noodzakelijk is voor burgers om een aantal andere grondrechten, die wel in de Grondwet zijn opgenomen, uit te oefenen. Nabben verwijst daarbij naar juristen als Meuwissen en oud-minister Hirsch-Ballin die dit verwerkelijkings- of functionele grondrechten noemen. Zo is het voor de verwezenlijking van het grondrecht op gezondheidszorg noodzakelijk dat mensen naar het ziekenhuis kunnen komen. Aan het recht op uitkering (artikel 20) wordt de voorwaarde gesteld dat men ook verder van huis passend werk aanvaardt. Ook het grondrecht op onderwijs is in dat opzicht relevant.

Nabben zegt desgevraagd dat het voor individuele burgers, die bijvoorbeeld getroffen worden doordat een onrendabel bustraject wordt opgeheven, weinig zin heeft zich te beroepen op de Grondwet in een juridische procedure. Zo is de verzelfstandiging van de NS vastgelegd in een formele wet, die niet getoetst kan worden aan de Grondwet. Nabben hoopt wél dat dat de Kamerleden en de minister meer rekening zullen houden met een grondrechtelijke benadering van het openbaar vervoer.

Nabben: “Privatisering is een soort toverwoord geworden. Ik hoop dat het besef doorbreekt dat in de discussie ook immateriële belangen een rol spelen.”